Het schemergebied tussen de lach en de traan

Vandaag vierden mijn oom en tante hun vijfentwintig jarig huwelijk.
'Bah,' zei ik gisteren tegen mijn zus, 'Het wordt vast gezellig, maar ook een beetje naar, want ome H. is er dan gewoon niet bij, weet je.'
Een beetje stil staarden A. en ik voor ons uit over de tafel vol logop?dinnen (we zaten namelijk bij een Weinachtsfressen van mijn zusjes werk).
'Kut,' zei mijn zus.
'Kut,' zei ik.
Er zijn zo van die dagen dat ik niet meer nadenk over die klote dag in juni, nu bijna een half jaar geleden. Waarop om zeven uur 's ochtends de telefoon ging, ik mijn ouders hoorde gillen en huilen en dacht: 'Kut, er is iemand dood! Kut! Kut! Wie? Wie?' om vervolgens de trap te nemen in twee of drie stappen. Momenten die ik mijn hele leven al vrees. Een telefoon die gaat. De tranen. Het onbegrip. Momenten die wanneer ze je werkelijk overkomen je bij je keel grijpen en je aan je familieleden doen vastklampen.
Op die ochtend in juni was het mijn oom. Mijn oom van wie niemand op deze aardbol had verwacht dat ie er tussenuit zou piepen. Mijn oom, op wie ik werkelijk dol was, ook al zag ik hem niet wekelijks. Mijn oom, op wie ik op dat moment ontzettend kwaad werd. Waarom? De stomste vraag die je je op dat moment kunt stellen, want het antwoord op het 'waarom' achter het wegvallen van bijzondere personen zal je nooit kunnen achterhalen.
Een paar dagen later begroeven we mijn oom. Er was een stoet door het geboortedorp van mijn moeder, een mooie mis en veel witte balonnen.
Mijn ouders huilden. Roos huilde. Ik huilde.
'Je ruikt naar vuile was,' snufte mijn lieve, kleine zusje tegen mijn schouder, waarop we ons allebei direct in het schemergebeid tussen de lach en de traan bevonden.
Ik had 's ochtends namelijk een wit bloesje uit de vuile was gevist. In de voorafgaande hectische dagen had ik niet echt aan zoiets banaals als wassen gedacht en dus stond ik daar in mijn witte, muffe bloesje en rokje de ogen uit mijn kop te huilen en mij nog beroerder dan beroerd te voelen, mede door het feit dat ik ook nog eens geteisterd werd door een fijne allergische reactie op een antibioticakuur die ik slikte vanwege een nog fijnere tekenbeet.

Duizenden keren analyseerde ik die bloedhete en emotionele dag in juni. Zo ook vandaag, tijdens het diner op het feest van mijn oom en tante. Ik zag mijn moeders en haar twee broers, maar het was vooral de afwezige derde broer die ik duidelijker zag dan ooit.
'Godverdomme,' dacht ik aan de lopende band, 'Waarom nou toch?'
'Dit had H. geweldig gevonden,' zei iedereen maar de hele tijd.
'Weet je nog, toen met H.?'
U kent het vast wel. De herinneringen. Die lief en ontroerend zijn en gaandeweg de tijd vordert alleen maar mooier worden en minder pijn gaan doen.

'Wat doe je nou, P.?' vroeg mijn moeder aan mijn vader toen we zojuist de autoweg opdraaiden richting Nijmegen, 'Als je rechtdoor was gereden dan was je al praktisch in Lent geweest!'
'Da's helegaar niet waar!' zei mijn immer eigenwijze vader, 'Via de autoweg is het veel sneller!'
'Kom nou,' zei mijn moeder, 'Wie is er hier opgegroeid? Jij of ik?'
'Ja papa,' zei ik zachtjes, 'Ome H. zei mij ook een keer dat je binnendoor sneller in Nijmegen bent toen we samen mijn tafel van zijn huis naar mijn kamer hebben gebracht.'
Het is een gekke paradox. Mensen kunnen dan misschien wel voorgoed weg zijn, maar zo lang er nog mensen zijn die hun doden met zich meedragen, zal er toch altijd nog een klein stukje van hen blijven leven. En dan vaak ook nog het stukje dat ieder van hen het dierbaarst is.
admin Maandag 19 December 2005 at 12:53 am | | Rosalie