Gezocht: metrohoofd!
Helemaal gestoord word ik ervan. Lopen door de Broerstraat in Nijmegen is al sinds jaar en dag een ware guerrilla. En het wordt niet minder, neen. Het wordt meer. Ze vermenigvuldigen zich met een snelheid waarvan de ratten geen brood lusten, zogezegd. Overal staan ze, de mannetjes en de vrouwtjes met de enge glimlach en de mappen of de gratis kranten. Ieuw. Die mensen maken mij nog eens aan het schreeuwen. Gewoon zo, midden op straat. Iedereen gaat dan naar mij kijken met zo'n blik van 'Wat een asociaal wijf, zeg! Begint ze zo'n arme jongen van het Wereld Natuur Fonds uit te kafferen!'. Eh ja, lieve mensen. Tuurlijk. Maar ik ben extreem zielig, moeten jullie weten. Ik ben namelijk een 'volunteer magnet'. Zo gauw ik in een straat kom met van die loslopende vrijwilligers die mij iets aan willen smeren dan stormen ze met z'n allen op me af. En waar ik me dan nog het meest over kan opwinden is dat ze blijkbaar vinden dat ik eruit zie alsof ik me iets aan laat smeren op straat. Hallo zeg, hoe beledigend. Als ik iets wil geven aan een goed doel dan heb ik hersenen genoeg om zelf uit te zoeken hoe. Greenpeace komt naar je toe deze zomer? Nou nee, bedankt.Toen ik ooit eens in een grijs verleden in Parijs woonde, had ik opeens door hoe mijn 'volunteer magnet'-igheid uit te zetten. Sjagerijnig kijken, flink de pas erin, je lijn kiezen en ten alle tijden doorlopen. Ook al staat er een muur. Of schieten ze een kanon naast je af. Je loopt gewoon door. Je kijkt niet op of om en binnen no time verdwijn je in de mensenmassa waarvan jij natuurlijk ook deel uitmaakt. Kortom: binnen een maand was ik verworden tot een botte grote stedeling, een soort persoonlijkheid waar ik eigenlijk niet zo achter sta.
Ik herinner me dat ik op gegeven moment op het kruispunt van de Boulevard St.-Germain en de Boulevard St.-Michel sta. Ik kom net uit het Quartier Latin en wil nog even een snelle stop en shop doen bij Gilbert Joseph, een briljante CD-winkel voor tweedehands cd's aan de Boulevard St.-Michel. Ik wil net gaan oversteken (Attention pietons!) als de vieze ouwe man naast mij tegen mij begint te praten. Ik schrik me (onnozel als ik ben) helemaal de tyfus en steek over. De man schreeuwt nog vanalles, maar ik zorg dat ik weg kom. Rare jongens, die Fransen.
Op een ander willekeurig tijdstip ben ik bij de Bastille om daar eens te gaan kijken of er nog een goede opera draait. Op het moment dat ik het metrostation in wil gaan komt er een zwerver op me af met een takje in zijn hand. Hij ziet er op zijn minst nogal gedrogeerd uit.
'Madame! Voulez-vous fumer des drogues avec moi?' vraagt ie, terwijl hij met het takje voor mijn gezicht heen en weer zwaait.
Heb ik weer. Ik besluit om hem maar niet te vertellen dat waar ik vandaan kom het roken van allerlei plantjes helemaal niks nieuws meer is en maak me uit de voeten. Hij volgt mij het metrostation in, totdat hij een ander slachtoffer vindt.
'Je moet ze gewoon niet aankijken,' zei mijn Franse huisgenoot C., de ervaringsdeskundige, een keer tegen mij, 'Dan spreken ze je ook niet aan. Let er maar eens op in de metro. Die mensen trekken allemaal zo'n metrohoofd, net alsof ze niks zien en niks horen.'
Dus ik oefenen op het metrohoofd natuurlijk.
'Doe ik het zo goed?' vroeg ik dan aan mijn Nederlandse huisgenoten S. en J. onder het eten.
Daarbij keken we elkaar bloedserieus aan, wat natuurlijk helemaal in het honderd liep. Al snel was 'metrohoofd' het codewoord van de dag en zo gauw we in de metro stapten en een van ons een metrohoofd deed dan pisten we al bijna in onze broek van het lachen. Maar het werkte. Na een tijdje kon ik gewoon door Montmartre lopen zonder dat zo'n verlopen schilder een portret van mij wilde maken en zonder dat enqu?teurs en verkopers mij aanspraken. Ik was helemaal van 'Yay!' en hoopte vurig dat mijn 'volunteer magnet'-periode ten einde was gekomen.
Terug in Nederland dook ik met frisse moed in de guerrillastrijd en betrad de Broerstraat. En zie, het metrohoofd deed zijn werk. Kutsjagerijnig kijkend slalomde ik tussen de vrijwilligers door zonder dat ook een van hen mij aansprak. Nou, dat was mooi. Ik blij, de vrijwilligers minder blij, kortom: een echte win-win situatie. Maar nu, twee jaar na dato, ben ik het helemaal kwijt. Vanmiddag ging ik even groenten kopen op de markt toen ik in de Broerstraat een vrijwilliger op me af zag komen. Ik geloof dat ik nog nooit zo met mijn ogen gedraaid heb terwijl ik een diepe zucht slaakte. De vrijwilliger begreep mijn hint en draaide zich even abrupt om als ie op me af was komen lopen. Ik was meteen helemaal blij en vervolgde mijn weg. Nog geen tien meter later zie ik er weer een komen. Ik loop de andere kant op, maar wat doet de oetlul? Hij verspert mij de weg. Nog voordat hij de kans krijgt om mij wat te vragen slinger ik een heel bot 'Neuh!' naar zijn hoofd.
'Heb je soms geen tijd?' vraagt hij.
Je? Je?
'Neuh,' zeg ik weer en loop door.
Zucht.
Wie o wie heeft mijn metrohoofd gezien? Ik mis het echt heel erg.
Toen ik in Utrecht studeerde moest ik door Hoog Catharijne en Vredenburg over. Voor 9 uur had ik dan al drie vrijwilligers, ECI-ers en andere verkopers op mijn dak gehad. Metrohoofd hielp daar niet echt. Ik ben ze maar gewoon gaan afbekken. Hadden ze maar een vak moeten leren. En vooral mij en mijn ochtendhumeur niet moeten lastigvallen.