In mijn hoofd is het stiekem heel gezellig
Weet u, ik ben hartstikke raar. Ik heb namelijk allemaal mensen in mijn hoofd. Nee, geen stemmen die mij vertellen wat ik moet doen, maar mensen. Personages, die zich hebben te onderwerpen aan wat ik vind dat zij gaan meemaken. Die personages zijn al zo oud als Methusalem. Het begon met G., een klein blond en eigenwijs meisje. G. ontsproot aan mijn brein toen ik een jaar of elf was en ze lag een jaar of twee op mij voor. G. zat namelijk al op de middelbare school en maakte daar vanalles mee. G. was geen denkbeeldig vriendinnetje, neen. Zo gek was ik nu ook weer niet. G. zat in mijn hoofd en soms werd G. een pennenvrucht. Maar niet alles wat G. meemaakte, zette ik op papier want dan zou ik echt 24/7 hebben zitten kriebelen en ja, dat was geen optie want ik moest natuurlijk ook nog met de barbies spelen, naar tennisles en de Citotoets maken. Ik leek dus hartstikke normaal, maar ondertussen... verknipt tot op het bot, ik zeg het u.Toen ik een jaar of vijftien was (en G. een jaar of zeventien) vroeg ik mij vertwijfeld af of mijn fantasie ooit nog eens zou gaan bekoelen. De ziekte was namelijk dat wij thuis al vroeg een computer hadden en daar zat natuurlijk een tekstverwerker op. En met een tekstverwerker kun je nu eenmaal veel sneller tekst produceren dan met een pen. Eindelijk had ik iets dat bijna net zo snel ging als mijn gedachten. Als een idioot zat ik dan op de zolder van mijn ouderlijk huis te typen. En als ik zeg als een idioot dan bedoel ik ook als een idioot.
'Wat ben je toch aan het doen?' zei mijn vader dan als ie naar boven kwam om iets te pakken.
'Aan het schrijven,' antwoordde ik verbeten, gestoord in mijn zeer autistische bezigheid
'Wat schrijf je dan?' wilde mijn vader nieuwsgierig weten.
'Een verhaal,' zei ik, terwijl ik hem bijna de zolder afkeek.
Eigenlijk wilde ik heel hard 'oprotten!' schreeuwen, maar dat deed je natuurlijk niet.
Mag ik het lezen?' grinnikte mijn vader dan geamuseerd.
'Nee,' zei ik en ik wendde me weer tot mijn computer.
Totdat ik begon met loggen hebben mijn familieleden amper teksten van mij gelezen, laat staan mijn verhalen. Ja, af en toe een vakantiedagboek wat ik dan bijhield tijdens de vakantie, maar dat was het ook wel. Mijn schrijfsels bewaarde ik angstvallig op floppy's onder mijn bed. Niet dat er nou belastend materiaal opstond, maar het was van mij en daar hoefden ze hun nieuwsgierige neusjes niet in te steken. Schrijven was immers iets geks, mijn vriendinnen deden het niet en ik wist dat als ze het deden dat het dan anders was. Soms vind ik het wel eens gek dat als ik nu vrienden van de middelbare school spreek dat ik sommige personages uit mijn verhalen al langer ken dan dat ik hen ken. Zo surrealistisch. En wat ik me dan wel eens afvraag: gaan personages wel eens dood? Als je bijvoorbeeld een boek schrijft met een open einde, gaan die personages dan gewoon door in het hoofd van een schrijver of is ie er dan klaar mee? Ik mag hopen van wel, want het kan zo vol worden in een hoofd dat je soms denkt dat je Rita Verdonk er maar eens bij moet gaan halen om sommige mensen uit te zetten.
Tegenwoordig duikt personage G. af en toe op in een verhaal, maar dan nu in een bijrol. De meeste van mijn prominente personages zijn jonger dan G. en hen ken ik ondertussen al zo'n jaar of vijftien. Ik weet hoe hun families in elkaar steken en wat hun tics zijn. En het ergste van alles is ook nog eens dat ik dat echt hartstikke normaal vind. Hele schriften heb ik met aantekeningen. Die doet het met die. Die lijkt erg op haar vader. Die schreeuwt altijd heel hard, maar wil dat eigenlijk niet. En ze hebben allemaal met elkaar te maken. Het geheel begint Rougon-Macquart-achtige trekjes te vertonen en zoals u wellicht weet, is het naturalisme van Emile Zola al een dikke honderd jaar niet meer in zwang en dat vind ik dan stiekem toch wel jammer. Want ik heb stof genoeg om zeker tien delen mee te vullen. Tien delen die elkaar raken op sommige punten, maar die je toch los van elkaar zou kunnen lezen. Als ik maar zou durven zeggen: okee, ik ga het doen. Ik ga het opschrijven. Het wordt prioriteit nummer ??n. Maar dat wordt het niet. Ik ben een boh?mien in het diepst van mijn gedachten, maar niet meer of minder dan dat. We moeten eten, we moeten slapen, we moeten werken. Mee in de mallemolen van het leven, ja ja. En dus blijven ze in mijn hoofd, al die rare mensen. Met armen en benen hangen ze uit mijn oren en ze roepen vanalles. Meestal negeer ik ze maar, want wat moet je anders? Antwoorden op hun vragen? Op hun gekakel ingaan? Ik dacht het niet, Piet.
En u? Heeft u ook wel eens hele volkstammen aan denkbeeldige personages in uw hoofd?
Nee? Wat gek, zeg. En wat jammer, eigenlijk. Want in mijn hoofd, daar is het stiekem heel gezellig.
22 reacties
Mmm, toch wel, maar niet zo ‘druk’ als jij. En misschien is het bij mij meer een alter ego. R., ik heb hem brieven geschreven op mijn weblog, de man die ik had kunnen worden als ik ooit een andere keus had gemaakt.
Dan is dit (http://schrijf.trouw.nl/evenementen/archief/reizen-in-het-hoofd-thema-van-literaire-prijs-gelderland-2007) misschien wel wat voor jou ![]()
Gelukkig blijven ze bij mij alleen in mn hoofd, want mn schrijfstijl is eerder Carry van Bruggen dan Dan Brown… Maar je begrijpt dat ik nu wel heel erg benieuwd ben ;)
Ik heb enkel een fictief vriendje gehad toen ik jong was. En ik praatte tot ruim op de middelbare school tegen mijn knuffel (klinkt eigenlijk gekker dan ik het ervaren heb).
Soms praat ik nog wel tegen hem…
Maar weet je, Rosalie, gek zijn is best lekker!
P.S. Kwarktaart?
Overigens ben ik blij weer een levensteken van een van jullie te vernemen. Misschien ben ik ondertussen wel verslaafd aan jullie…
Als je later beroemd schrijfster bent, heb je een mooi verhaal te vertellen. :)