Het jaar in de fijne wijk B. te N. #3
Het ging van kwaad tot erger met het toilet van meneer en mevrouw Van den D., je durfde amper nog mensen op bezoek te vragen, zo erg was het. Stront aan de knikker, zou je kunnen zeggen. Na een tijdje kregen mijn huisgenoten en ik het vermoeden dat het met meneer Van den D. niet zo heel erg jofel ging. Of beter gezegd, mijn huisgenoot F. en ik, want C. was door meneer Van den D. het huis uitgezet omdat ze haar vriendje naar binnen had gesmokkeld. Wat op zich geen probleem was, maar hij was stiekem blijven slapen en ja, dat was toch een brug te ver voor mijn huisbaas. Maar goed, diezelfde huisbaas werd dus steeds bedlegeriger. En hij had pijn, want het kreunen was niet van de lucht. En als hij zijn vrouw riep dan brulde hij haar naam en ramde met een stok op de grond.'Wat is er pappie?' hoorde je haar dan zeggen, nadat ze zich aan de leuning van de trap naar boven had gehesen.
Ja, het waren fijne tijden daar in de fijne wijk B., dat begrijpt u natuurlijk ook wel.
Op een nacht was het zo erg dat ik op gegeven moment bibberend rechtop in bed zat. Een gesteun, gekerm en een gejammer steeg door de zoldervloer omhoog, u wilt het niet weten. Ik werd een beetje op en neer geslingerd tussen de filantroop en de egocentrische drol in mijzelf, want van de ene kant vond ik het hartstikke zielig en mijn aanwezigheid nogal misplaatst. Maar van de andere kant werd ik er ook echt hartstikke pissig van. Had ik weer, hoor. Een kermende huisbaas. Met een darmprobleem en bijbehorende vrijkomende gassen en dergelijke. Ik knipte de lampjes van mijn kerstboom (het was rond kerst) aan, duwde mijn cd met Wagner ouvertures in de stereo en zette deze aan. Om drie uur 's nachts. Waarom Wagner? Nou, dat is nogal overheersend en dus had ik bedacht dat als Wagner het gekerm niet kon verbloemen dat niets dat zou kunnen. Dus terwijl ik naar dat enge Pelgrimskoormelodietje uit Tannh?user lag te luisteren, bedacht ik dat het toch hoog tijd werd dat ik eens een fatsoenlijke kamer ging zoeken, want dit was drie keer niks. En dat gold voor zowel Wagner als voor het gekerm van mijn huisbaas.
En toen verdween hij opeens naar het ziekenhuis.
'Misschien gaat hij wel de pijp uit in het ziekenhuis,' sprak huisgenoot F. besmuikt, toen we een keer in de keuken stonden.
We wilden allebei niet hardop uitspreken dat dat misschien wel aangenaam zou zijn, want tja. Dat doe je natuurlijk niet. Maar de donkere wallen onder onze ogen spraken boekdelen, zogezegd. F. en ik hadden het helemaal gehad met dat gelazer. En meneer Van den D. zou duidelijk ook beter af zijn als hij zou gaan hemelen, want hij had nu ook niet bepaald de leukste maanden achter de rug. Dat was eigenlijk best wel moeilijk, zulke confronterende gedachten. Want het was ook hartstikke zielig en zeker voor mevrouw Van den D., want dat was echt zo'n lief, gekrompen omaatje en niemand wil lieve, gekrompen omaatjes zien lijden.
Maar zoals dat dan altijd gaat: krakende wielen lopen het langst. Meneer Van den D. kwam gewoon terug uit het ziekenhuis en bracht zijn gekerm weer mee. Ik, de achttien jarige dreutel, zat boven op zolder snikkend op mijn bedje. Soms zijn er grenzen aan wat een mens aan kan en ik geloof dat ik die grens toen aardig bereikt had...
Ik word bijna blij dat ik je in die periode nog niet kende, heb ik dit allemaal tenminste nooit hoeven aanschouwen!