Christo de Tweede
Ooit had ik een hospes. Niet zo heel lang; vaak vergeet ik het zelfs. Zo ben ik prima in staat om bij klagende hospita-huurders te verzuchten hoe blij ik ben, dat ik nooit bij een hospes of hospita gezeten heb. Maar eigenlijk is dat dus niet zo. Het is een soort van verdringing denk ik. Niet dat het echt zo'n enorm grote ramp was; de hospes was op zich helemaal niet onaardig, de huurprijs was meer dan redelijk en eigenlijk kon ik doen en laten wat ik wilde.Ook het feit dat het een huis was zonder CV, was overkomelijk. Ik had gewoon een grote gaskachel midden in mijn kamer. Niet echt ideaal (zeker niet in de ogen van mevrouw mijn moeder die me geloof ik al een langzame ongemerkte verstikkingsdood zag sterven), maar echt last had ik er ook niet van. Voornamelijk omdat ik het ding nooit aan had. De echte wintermaanden heb ik er dan ook niet gezeten.
Maar toch heb ik het verdrongen, en dat komt toch door de hospes. Hij had namelijk toch wel een paar eigenaardigheden, waar ik wat minder blij mee was. Grote brokken rauw vlees die makkelijk een dag in de keuken konden staan bijvoorbeeld. Of 'zijn' keukentafel, die ik nog niet met een paar rubberen handschoenen aan zou willen raken. Hij had er namelijk een laag oude kranten op liggen. Op zich geen slecht idee; ik snap best de voordelen. Je gooit na het aardappelen schillen o.i.d. gewoon zo'n krant met de schillen weg. Best makkelijk en je hoeft minder te poetsen. Maar dat systeem werkt alleen, als je ook daadwerkelijk die kranten regelmatig vervangt. En dat deed de hospes dus niet. Kranten waar dus sappen van het rauwe vlees op waren gelopen en waarop hij al zijn groente etc. schilde en sneed, bleven maanden (ik denk zelfs jaren, maar daar heb ik geen bewijs van) op die tafel liggen; helemaal vergeeld en sommige begonnen zelfs al te verkruimelen...
Hygiene stond dus niet erg hoog in zijn vaandel, maar dat was nog niet het vreemdste. De beste man was namelijk ook een aanhanger van Christo. U weet wel, die kunstenaar die graag gebouwen en eilanden inpakt. Dat deed mijn hospes dus ook, maar dan op iets kleinere schaal. Alles, maar dan ook werkelijk alles in het huis was ingepakt ter voorkoming van slijtage. En dan bedoel ik echt alles. Stukjes leiding die door de keuken liepen, stopcontacen, de pootjes van het kookstel, de trapleuning en ook de handgrepen van de keukenkastjes en de deuren, u kunt het zo gek niet bedenken, ze waren allemaal netjes inpakt. Zorgvuldig bedekt in ettelijke laagjes plastic boterhamzakjes. Stukjes plastic waarvan ik wederom durf te beweren dat ze er al minstens 10 jaar op zaten, maar waarvan ik geen bewijs heb. Ze zagen er in ieder geval wel zo uit. Want zelfs plastic slijt met de tijd... Ook plastic kan gelig worden. En rafelen. En er gewoon vies uitzien dus.
Geef mij dan toch maar de echte Christo. Die is er zich tenminste van bewust dat zijn inpakkunsten slechts een beperkte houdbaarheid hebben. Als ik zo terugdenk aan die groezelige keuken en ranzige keukentafel, vind ik het geen wonder dat ik het verdrongen heb. En toch is het niet de ranzigste keuken waarin ik heb moeten koken. Maar dat komt een andere keer wel. Ik kan maar een beperkte hoeveelheid schimmelende keukenherinneringen in 1 keer aan...
veertien reacties
Rosalie heeft helemaal gelijk. En jij hoort dus bij de club! Gefeliciteerd! Toen ik voor het eerst op kamers ging, kwam ik bij een gescheiden vrouw met 2 zoontjes in huis. De zoontjes hielden de zolder bezet, ik had een kamer, het kamertje naast het mijne was ook verhuurd. Ene zoon hield van snoeiharde techno, de ander van Elvis. Dat werden dus wedstrijdjes wie het hardst kon. Douchen durfde ik er niet, de badkamer was t? smerig, dus ik behielp me met de wasbak in mijn kamer. De zoons zetten stiekem het gas harder als ik even naar mijn kamer moest terwijl ik aan het koken was. Na de zoveelste keer aangebrand eten kocht ik maar een kookplaatje voor in mijn kamer. En dan was daar nog Ben. De Keniaanse lover van mijn hospita. Een charmante man, die me liet proeven van het eten dat hij kookte en vaak, heel vaak slaande ruzie had met de hospita. Op een nacht klopte hij aan bij mijn kamer. Hij hield niet van de hospita, of ik met hem mee kwam wonen bij hem en zijn broer in de Bijlmer? Ehm. Nee, dank je. Daarna ging het echt mis. Hospita smeet lover de deur uit en dat pikte hij niet. Ik moest me vaak met hospita en zoons verstoppen in het huis, terwijl hij buiten stond te razen. We belden de politie als hij de voordeur weer intrapte. Jaja, spanning en sensatie! Wat een rust toen ik in mijn flatje in Amsterdam Noord kwam wonen. Alhoewel…tot de kakkerlakkenplaag natuurlijk.
Potverdrie, dan mag ik niet bij de club! Maar als ik de verhalen zo hoor, ben ik er niet heel rouwig om.
Maar er moeten toch ook doodgewone mensen zijn, die op een doodnormale manier een extra kamer verhuren, zonder allerlei rare trekjes, toch?
Dat was gewoon een kwestie van budget. Weet u wel hoeveel boterhamzakjes er gebruikt worden bij het inpakken van de gehele Rijksdag? Elke maand bleef er na het innen van de huur weer net voldoende over voor een paar zakjes ;)
Een tip waar je nu niets meer aan hebt: de oudheid van kranten is vast te stellen door te kijken naar de datum erop. Waarom dacht je dat ze die erop drukten?
TafelDertien: Ik heb zo’n donkerbruin (hahaha) vermoeden dat Virginie helegaar niet zo dicht bij die kranten wilde komen dat ze de datum kon lezen… ![]()
Jij snapt ‘t Rosalie. Brrr, voor hetzelfde geld stond er iets op de datum en zou ik iets dat op die tafel stond moeten verplaatsen, oh gruwel…
Virg: precies! En los daarvan wil je natuurlijk ook gewoon niet weten dat het de krant van 1973 betreft…
Ik hoor het je moeder nog zeggen, daar bij jullie thuis aan de keukentafel: ‘Ja, met pijn in het hart hebben we je daar achtergelaten!’
Hahaha! Mooi man. Als je geen rare hospes hebt gehad, dan hoor je er gewoon helegaar niet bij, zo! Dan stel je echt he-le-maal niks voor.