Omdat gisteren het beeldentrauma weer eens boven was komen drijven, besloot ik om dan maar meteen een onderzoek te doen naar hoe het nou precies zat met het beeldenbezit van mijn Limburgse oma. Ik ging toch bij haar eten en mijn oma is altijd wel in voor een goed verhaal, dus ik stak ongegeneerd van wal.
'Oma,' zei ik, 'Hebt u eigenlijk een Heilig Hartbeeld of zo?'
'Ja, dat weet je toch?' zei mijn oma, 'Achter op het kleine kamertje.'
'Ja, dat klopt,' zei ik, 'Maar da's maar een kleintje. Ik bedoel echt zo'n beeld van minstens een meter hoog.'
Met mijn hand gaf ik de lengte vanaf de grond aan.
'Nee,' zei mijn oma, 'Dat heb ik niet, hoor. Wel ooit gehad, trouwens.'
'Wat is daar dan mee gebeurd?' wilde ik weten.
'Dat heeft je overgrootmoeder weggeven,' zei mijn oma, 'Aan neef Lewieke uit Illikhoven. Ergens in de jaren zestig, geloof ik.'
'Hahahahaha,' zei ik.
Ik had het kunnen weten, de helft van mijn oma's bezit is door haar moeder doorgesluisd naar derden. Mijn manie om alles weg te gooien heb ik duidelijk van mijn overgrootmoeder ge?rfd.
'Ja,' grinnikte mijn oma, 'Dat was echt heel grappig. Neef Lewieke kwam ons brood of iets dergelijks brengen. Hij had het in een vuilniszak. Toen heeft oma hem dat beeld gegeven en hij heeft het in de vuilniszak gestopt om het vervolgens onder zijn arm te nemen en ermee terug te fietsen naar Illikhoven.'
Ik moest lachen, ik zag het echt helemaal voor me. Van Sittard naar Illikhoven, met een Heilig Hartbeeld in een vuilniszak onder je arm.
'Het zag eruit alsof hij een lijk in een zak bij zich had,' zei mijn oma opgewekt, 'Als iemand hem had aangehouden dan hadden we nog kunnen lachen.'
Ik wist het wel. Natuurlijk had mijn oma ook een Heilig Hartbeeld. Maar ik wist ook wel bijna zeker dat er weer een raar verhaal aan verbonden zou zitten. Want tja, zo gaat dat met Limburgse katholieken. Die leggen flessenopeners uit Lourdes in nissen en zetten het Mariabeeld in een regenpijp onder de heg (zoals bij
Petra) of ruilen een brood voor een Heilig Hartbeeld, stoppen het in een vuilniszak en rijden ermee op de fiets naar Illikhoven. En dat is nog best wel een toer, want tja... vindt dat maar eens, Illikhoven. Dat is nog niet zo makkelijk!
Nadat
Petra voor mij in het wonderschone Beegden (ik ben er geloof ik nog nooit geweest, maar het is in Limburg dus dan is het automatisch wonderschoon) onder de heg gedoken was, begon ik eens een beetje te contempleren over Jezus- en Mariabeelden. U moet weten, ik ben katholiek opgevoed en ben dus nogal eens in aanraking gekomen met dat soort verschijnselen. Vooral bij mijn oma van mijn moeders kant. U moet zich voorstellen dat mijn moeder opgegroeid is in een dorp tussen de rivieren waar een groot deel protestant was en als je dan katholiek bent, tja. Dan moet je toch minstens een eng beeld in huis hebben waarin dat katholicisme zich manifesteert. Dat had mijn oma dus, in tegenstelling tot mijn andere oma. Mijn andere oma was immers een Limburgse katholiek en ja, Limburgse katholieken zijn heel anders. Maar waar dat nou precies aan ligt dat kan ik niet uitleggen, om dat te begrijpen moet je een Limburgse katholiek zijn, denk ik.
Maar goed, mijn Gelderse oma had dus een Jezusbeeld van een meter hoog op haar slaapkamer staan. Een Heilig Hartbeeld om precies te zijn. Voor alle ontaarde lieden die hier ronddwalen: een Heilig Hartbeeld is een beeld van Jezus met het hart aan de buitenkant. Het beeld zag er ongeveer
zo uit, maar dan had het wel armen en die armen zwaaiden niet zo verschrikkelijk vervaarlijk in de lucht als wiegden zij op de wind (om er maar even wat Eftelingjargon tegenaan te gooien). Pure horror, dat beeld. Ik was er als kind echt hartstikke bang voor. Ik bedoel, dat is toch echt te eng voor woorden? Zo'n Jezus die bijna net zo groot is als jezelf (toentertijd dan, h??) en die zijn hart aan de buitenkant heeft zitten?! Gelukkig ontdekte ik al snel dat de Jezus ook als kapstok kon dienen en terwijl ik blij was dat ik dat ontdekt had gooide ik er elke avond voor het slapen gaan mijn kleren overheen. Zo. Dikke puh. Ik bliefde geen Jezus die 's nachts op mij neerkeek en mij op zeer obscene wijze zijn hart toonde.
Maar goed, nu ben ik dus op zoek naar een Mariabeeld. Om als kapstok te gebruiken. En om mijn eigen kleinkinderen ooit de stuipen mee op het lijf te jagen. Waarom geen Heilig Hartbeeld? Nou, omdat ik daar eerlijk gezegd nog steeds hartstikke bang voor ben. Als het dus even kan voed ik mijn kinderen gewoon in de katholieke traditie op, want ben nou eens eerlijk: wie wil nou niet zo'n geweldig beeldentrauma op zijn zesentwintigste?
Toen ik gisteren terug kwam van F. had ik opeens last van heftige koopzucht, een allesvernietigende drang om een impulsaankoop te doen. Aangezien ik tegenwoordig erg de stelling 'Geld dat je niet hebt, kun je niet uitgeven' aanhang wordt er doorgaans weinig gekocht in huize Rosalie. Je went er immers snel aan als je geen geld hebt, zeg maar. Dat je bijvoorbeeld alleen spul kunt kopen om spaghetti of groenteprutjes te maken. Of dat je zo'n beetje door een stad loopt en de hele tijd denkt: 'Kijken kijken, nie kopen!' en daar dan om moet lachen omdat het eigenlijk helemaal niet bij je past omdat je meer van het 'Kopen kopen, nie kijken!' bent. Maar goed, ik heb de afgelopen weken dus flink keukenblokken en vakantiehuisjes gepoetst en als klap op de vuurpijl kon ik afgelopen week ook weer eens bij F. terecht. En toen was het er opeens: geld. Ik keek afgelopen weekend op mijn bankrekening en schrok me helemaal de tering. Er stond 200 euro meer op dan ik verwacht had. Aangezien dit nog nooit eerder was voorgekomen begon ik langzaamaan te denken dat ik misschien maar eens wat moest gaan kopen van dat geld. Ik bedoel maar, poetsen en bij F. werken is niet echt geestverruimend en het is eigenlijk zonde om van dat geld alleen spullen voor spaghetti en groenteprutjes te kopen. Ik werk verdikkie toch niet voor de kat zijn tralalala?!
Dus toog ik gisteren naar de Xenos. Ik had daar namelijk iets gezien wat ik heel graag wilde hebben, maar wat normaal gesproken nogal buiten mijn budget ligt. Zes keer liep ik de Xenos op en neer, in mijn hoofd allerlei rekensommetjes makend. Verdorie, ik ben het zomaar voor de vuist weg dingen kopen helemaal verleerd! Oh wat, dacht ik, ik doe het gewoon! En dus nam ik de enorme doos toen ik hem voor de zevende keer passeerde onder mijn arm en snelde naar de kassa. Stel je namelijk eens voor dat ik me onderweg zou bedenken. Snel rekende ik af en haastte me de Xenos uit, natuurlijk niet zonder eerst gevraagd te hebben of ik hem misschien nog zou kunnen ruilen. Dat kon en gerustgesteld vervolgde ik mijn weg.
Buiten aangekomen was ik best wel boos op mezelf. Verdomme, dat was niet echt een impulsaankoop, zoals ik eigenlijk van plan was geweest! Vijfentwintig minuten had ik nodig gehad om te besluiten om het ding toch maar te kopen. Met een zucht manouvreerde ik de doos op mijn bagagedrager en worstelde mijzelf met de fiets in mijn hand in de richting van mijn huis. Daar hing ik mijn net-niet-impulsaankoop op en staarde er tevreden naar. Het zag er mooi en kleurrijk uit en tja, u kent mij. Als het mooi en kleurrijk is (het liefst met roze) dan is mijn dag goed. Nu nog een matching Mariabeeld en ik ben weer helemaal bij.

En nu sparen voor de lampjes die erin moeten, want dat kon er natuurlijk niet meer vanaf. Weet u wel. Van die peertjes met van die foute puntjes eraan!
Hoezee, Virginie is weer terug! Ik heb New York overleefd en New York heeft mij overleefd. Ik heb namelijk niets te maken met de grote stroomuitval aldaar, laat ik dat even voorop stellen. Nee, ik ben zonder al te veel problemen de grote blauwe oceaan twee keer overgevlogen, om nu weer een enorme ervaring rijker te zijn. Eindelijk is het contact gelegd met Amerikanen in hun natuurlijke habitat. Vanaf dat ik opstond op de dag dat ik vertrok, kon ik namelijk niet wachten totdat ik contact zou leggen met een Amerikaan. Om het even welke.
Maar het zat me niet mee. Al snel besefte ik dat alle stewards en stewardessen rasechte Hollanders waren. Ik had eigenlijk ook niet anders moeten verwachten op een KLM-vlucht. Van de medereizigers met wie ik ?mijn? rij deelde in het vliegtuig hoefde ik ook geen soelaas te verwachten. Het waren een Zweedse jongeman en een Noorse-voorheen-Zweedse vrouw, die binnen de minuut met elkaar in diep gesprek verwikkeld raakten. Terwijl mijn oren vervuld raakten met zoete Scandinavische klanken, hoopte ik dat ze dat geen 7 uur lang vol zouden houden. Gelukkig bleken beiden zeer goede medereizigers die ook in het Engels goed hun weg wisten te vinden. Mijn hoop voor een ?first contact? lag nu bij de douane-beambte.
Helaas staan de werkzame mensen in deze dienstsector nou niet bepaald bekend om hun vrolijke en open karakter. Ik was al meerdere malen gewaarschuwd voor knorrige mensen die volkomen naar eigen willekeur kunnen bepalen of je wel naar binnen mag. Bijtend op mijn tong van uiterste concentratie, vulde ik dan ook pietluttig precies de benodigde formulieren in het vliegtuig in. Geen enkele beambte zou op mijn formulier iets aan te merken kunnen hebben. Geen fouten, geen doorhalingen en al helemaal geen met ?ja? beantwoorde vragen als: ?Hebt u nucleaire, biologische of andersoortige massavernietiginswapens bij u??
Eenmaal aangekomen op het vliegveld begon dan het wachten. Het lange wachten, waarbij ik zeer dankbaar was voor het feit dat ik nog redelijk vooraan in de rij stond. Nu was de wachttijd slechts 1 uur, in plaats van de 3 of meer voor mensen die achteraan kwamen te staan. Ik maakte dus meteen kennis met het in Amerika zeer geliefde systeem van mensen zig-zaggend te laten wachten. Gelukkig deelde de Zweedse jongeman mijn filmpassie en kregen we de tijd toch nog vrij snel om.
Eindelijk was dan het moment aangebroken dat we vooraan in de rij stonden. Wij zouden de eerstvolgenden zijn om Amerika te betreden. Door knipperende lichtjes en armsignalen werden we naar hokje 11 gestuurd, dat buiten bedrijf bleek te zijn. Nog voordat dit goed en wel tot ons doordrong werden we alweer naar een ander hokje gedelegeerd. Het was mijn beurt. Vol daadkracht stapte ik naar voren, voorbereid met de precies ingevulde formulieren en de antwoorden op iedere ?domme? vraag (Wie ben je? Wat kom je hier doen? Waar ga je heen?) die ze me zouden kunnen stellen. Ik was bezig glansrijk te slagen voor dit mondelinge examen. Alleen nog even een fotootje laten maken, mijn vingerafdrukken laten scannen, mijn paspoort weer in ontvangst nemen en ik zou het beloofde land binnen kunnen stappen. Maar de beambte had andere idee?n. Tijdens onze hele onderhandeling was al gebleken dat deze knorrige beambte nog sporen van vrolijkheid in zich had. Met de laatste vraag kwam dan ook het offensief waarop ik mij niet had voorbereid: ?Je gaat hier toch niet stiekem trouwen he?? Watblief? Vroeg hij nou echt of ik stiekem ging trouwen? ?You?re not going to run of and get married, are you?? Vroeg hij nogmaals. ?Uhm, nee?? Was mijn bijzonder eloquente antwoord. ?Weet je het zeker?? Ik kon niets anders dan ?Uh, ja? terug stamelen. ?Nou ja, mocht je toch trouwen, zorg dan dat je hem met je mee terugneemt.? Nog steeds niet begrijpend waar deze vraag goed voor was (als ik al stiekem wilde trouwen, zou ik wel naar Las Vegas vliegen om me door Elvis in de echt te laten verbinden), bevestigde ik dat ik dat zou doen en liep door naar de bagageband. De Zweedse jongeman volgde al snel: ?Raad eens wat hij aan me vroeg?? Ik vertelde dat aangezien hij mij vroeg of ik ging trouwen, ik hem tot alle mogelijke vragen toe in staat zag. ?Hij vroeg ik XTC bij me had, alsof je ooit ?ja? zou zeggen wanneer dat het geval zou zijn! Toen ik ?nee? zei, vroeg hij ook nog eens of ik het wel zeker wist, duh!? Al lachend liepen we verder naar de uitgang van het vliegveld.
?Hey, ik heb een goed idee,? zei ik als afscheid tegen de Zweedse jongeman. ?Laten we een paar pilletjes XTC slikken en dan stiekem gaan trouwen!.?
Hij antwoordde zonder te aarzelen: ?Ja, dat is een uitstekend plan!?
Gisteren kwam vriend R. op bezoek in mijn nieuwe woonst. Vriend R. heeft ongeveer een jaar geleden het fijne N. ingeruild voor het wonderschone W. en nee, da's niet altijd fijn. Daarom was ik ook blij dat R. er was, ik had hem al veel te lang niet meer gezien. Een avondje R. is altijd lachen. Mits je tegen R. zijn interessante principes kan natuurlijk, maar dat kan ik (ik ben namelijk niet zo oppervlakkig dat ik alles wat R. zegt serieus neem) en dus zou het een hilarische avond worden.
R. en ik besloten om wat te gaan eten bij een Turks restaurant bij mij om de hoek. Net toen R. mij boven een bord met een Turkse vleesspies erop op de hoogte had gesteld van het feit dat het in IJsland vaak beter is om een overstekend schaap aan te rijden in plaats van hem proberen te omzeilen, bedachten wij ons dat het eigenlijk wel tijd was om wat verrassingsbezoeken aan wat vrienden te gaan brengen en dus sprongen we in R.'s auto. Het eerste slachtoffer zou vriend T. zijn, maar net toen we over de St. Annastraat tuften, zagen we T. samen met zijn vriendin richting de Nijmeegse binnenstad fietsen.
'De klootzak!' zei R. geheel volgens goede gewoonte, 'Waarom gaat ie nou weg juist wanneer hij hem willen bezoeken?'
'De laatste avond van de Vierdaagsefeesten misschien?' zei ik, 'Misschien is dit niet zo'n goede avond om verrassingsbezoeken af te leggen, trouwens.'
'Kutvierdaagse,' zei R., ook al geheel volgens goede gewoonte.
Dus toen gingen we naar vriendin M. en vriend P. die samen in een klein appartementje aan de andere kant van de stad wonen. We hadden allebei M. en P. al schandalig lang niet meer gezien en dus togen we vol goede moed naar hun huis.
'De fiets van M.!' zei R. opgetogen, 'Dan zijn ze vast thuis.'
We belden aan, maar er kwam geen gehoor.
'Ja hee!' zei ik verbolgen.
'Ja hee!' was R. het met mij eens.
Waarop we G. belden. G. was er wel, maar bij zijn vriendin in de binnenstad.
'G.!' zei R., 'Ik ben in N.! Ik kom even langs en ik breng zeven man mee, is dat okee?'
Ik hoorde G. aan de andere kant van de lijn sputteren.
Even later stonden we bij C., de vriendin van G. voor de deur.
'Eigenlijk moeten we nu vijf opa's van straat plukken en ze mee naar binnen nemen,' grinnikte ik.
'Ja, dat zou lachen zijn,' was R. het met mij eens.
G. deed open en stelde tevreden vast dat R. weer eens een lulverhaal had opgehangen.
'Kom binnen, kom binnen,' zei hij opgewekt.
En zo zaten we nog een tijdje bij G., C. en een airco (yaay!) totdat R. besloot dat ie terug moest naar W. omdat hij daar ook nog een afspraak had. Nadat R. mij beloofd had dat ie een foto zou maken als hij in IJsland een schaap aan zou rijden, namen we afscheid. Vriend R. was weer even in N. en dat vonden wij allen zeer prettig, ja ja.
Zo, zonet heb ik vriendin en tegenwoordig ook huisgenote F. en vriendin P. op de trein gezet. De dames gaan samen vier weken naar Argentini?. Met hun vertrek is er een einde gekomen aan de grote uittocht van familie, vrienden en bekenden. Als eerste liet Virginie mij stikken om drie weken bij haar oom in New York te gaan zitten, wat best zuur was want ik had meegekund, ware het niet dat ik al jaren aan chronisch geldgebrek lijdt. Toen begon vriendin P. (die in Maastricht woont) mij mede te delen dat ze vier weken met haar vriend naar Amerika ging. Zo. Leuk. Geen leuke middagjes op het Onze Lieve Vrouwenplein dus. Vriendin P. vertrok en in haar kielzog mijn ouders, die momenteel bezig zijn aan een drie weken durende rondrit door het oosten van de Verenigde Staten en waarna ze nog een weekje bij kennissen in Oregon gaan zitten. Het kan niet op. Vervolgens waren het
Aderyn en Amroth die richting Canada gingen en nu dus vriendinnen F. en P. naar Zuid-Amerika.
Ik ben sinds een uur dus officieel een Remi. Een Remi met de Vierdaagsefeesten. Ik heb niet eens iemand om samen met mij naar het vuurwerk te gaan, morgen! U begrijpt het al, ik vind mijzelf ontzettend zielig. En terecht natuurlijk. Want ik ben ook ontzettend zielig. Ik ben officieel gebombardeerd tot 'post-ophaler-en-planten-watergever'. Nu iedereen van het toneel verdwenen is, regel ik de post van Aderyn, onderhandel met haar Duitse onderhuurster, geef de planten van F. water, houd vervelende mannen van UPC op een afstand en bel af en toe met mijn zus om mijn taak van 'post-ophaler-en-planten-watergever' in het geval van mijn ouders op haar af te schuiven. Helaas heeft Virginie mij niet aangesteld voor enige 'post-en-planten-taken', maar volgens mij krijgt Virg nooit belangrijke post en planten heeft ze niet. Dus tja, dat is dan weer mooi meegenomen.
Wat ik mij nu afvraag is: hoe kom ik de dagen door? Dat is eigenlijk ontzettend belachelijk, want normaal zie ik ook niet elke dag mensen, dus ik zit me weer eens goed aan te stellen hier. Morgen is de Alpe d'Huez in de Tour, dus dan ben ik onder de pannen. Woensdag ga ik gewoon studeren en de Vierdaagse kijken, donderdag eveneens en dan komt vriend R. misschien langs. Vriend R., die hem binnenkort peert naar IJsland. Want ja, ik moet natuurlijk niet denken dat er nog meer mensen zijn die niet op vakantie gaan. Stel je voor zeg. Ja, mijn lieve zus. Die zit in het Zuiden des lands en moet gewoon werken. Dus die ga ik ook nog maar eens een week lastigvallen. Kunnen we misschien een korte Beneluxtour met mijn oma doen, een ondertussen jaarlijks terugkerend ritueel.
Over vijf dagen komt Virginie terug. Ik ben begonnen met aftellen. Omdat ik haar zo erg mis? Wel neen, Virginie en ik zien elkaar wel vaker drie weken niet en daar liggen we dan ook niet wakker van. Maar gewoon om een einde te laten komen aan mijn Remi-schap. Mijn Remi-schap dat ik mijzelf opgelegd heb en dat welgeteld viereneenhalve dag geduurd heeft. Tsjongejongejonge.
De zomer is best een leuk seizoen, maar het brengt wel iets met zich mee waar ik echt een bloedjehekel aan heb: beestjes.
Toen mijn zus en ik zaterdag terugkwamen van D?sseldorf parkeerden we mijn vaders auto op de oprit. Terwijl mijn zus de sleutel uit het contact haalde en haar spullen bij elkaar zocht, viel mijn oog op een paar beestjes die in en uit een gaatje in de overkapping van de garagepoort vlogen. Ik heb echt een radar voor beestjes, zo blijkt maar weer.
'Wat is er met jou?' informeerde mijn zus, die wel kon zien dat ik iets ontdekt had.
'We hebben een wespennest,' zei ik, 'Kijk maar, daar onder de overkapping. Zie je ze naar binnen en naar buiten vliegen?'
'Godverdomme,' was mijn zus' eloquente reactie, 'En nou?'
'Ja, de ongediertebestrijding bellen,' zei ik, 'En wel meteen!'
Bibberend dachten mijn zus en ik aan die ene keer toen we een wespennest op zolder hadden en echt overal, maar dan ook overal wespen zaten.
'Kutzooi,' zei ik.
'Fuck,' zei mijn zus.
We stapten uit.
Later die avond kwam de man van de ongediertebestrijding en hij maakte korte metten met het wespennest.
'Goed dat je gebeld hebt,' zei de man, 'Dat had namelijk een verdomd groot nest kunnen worden.'
'Huuh,' zeiden mijn zus en ik in koor, terugdenkend aan het wespennest op zolder.
'Hebben jullie trouwens geen last van ratten?' vroeg de man, alsof dat echt een hele normale vraag was.
'Huh?' zeiden wij verbaasd.
'Ja, ik ben hier de afgelopen weken een paar keer in deze wijk geweest vanwege ratten,' zei de man argeloos.
Bedankt, man van de ongediertebestrijding! Bibberend verplaatste ik mijn gedachten van het wespennest op de zolder naar de rat in de kelder van het huis waar ik heb gewoond toen ik in Parijs studeerde.
'Niet kijken,' zei J. toen we op een goede avond zaten te puzzelen in de kelder, 'Maar daarachter loopt een rat.'
In mijn ooghoek flitste iets weg dat werkelijk de grootte had van een kleine kat, maar dan met een hele dunne, vieze staart.
'Waar? Waar?' wilde S. verschrikt weten.
Achteraf bedachten J. en ik dat het maar goed was dat S. de rat niet had gezien, want anders hadden we nog kunnen lachen. Met opgetrokken wenkbrauwen keken we elkaar aan.
'Gadverdamme,' zei J. gruwend.
'Ik ben weg,' zei S. bibberend.
'Ja, ach. Parijs, h??' zei ik nuchter, 'Misschien moeten we het even aan de portier gaan melden.'
Dus wij naar de portier van de flat.
'Il y a un rat dans le sous-sol,' zeiden wij.
'Oui, je sais,' zei de man schouderophalend.
Mannen geven blijkbaar niet zoveel om ratten.
Maar goed, beestjes dus. Ik wou eigenlijk gaan schrijven dat ik gisteren een vieze kever op mijn kamer had en dat ik die niet te pakken kreeg, waarop het beest opeens spoorloos verdween. Nu zit ik dus achter mijn computer, de beestjesradar, aan, op mijn hoede voor een plots opfladderende kever. Het is maar goed dat ik af en toe van mijn eigen onderwerp afdwaal en uitkom bij wespennesten en ratten, dat stelt zo'n kever namelijk meteen weer in het juiste perspectief...
Amerika is echt het beloofde land tegenwoordig. Onze goede vriendin Virginie zit ondertussen al weer een week in New York, ook vriendin P. en haar vriend vertrekken naar de Oostkust een dezer dagen en gisteren hebben mijn zus en ik mijn ouders gedropt op het vliegveld van D?sseldorf. Van daaruit hebben zij een vlucht genomen naar het immer eh interessante Denver waar zij een drie wekende durende tocht langs de Westkust van de Verenigde Staten beginnen. En waar is Rosalie? Juist. In Nijmegen. Of in Sittard. Met zicht op een dagje Belgi? met zus en oma. Verschil moet er immers wezen.
'Nou eh, hoie h??' zeiden mijn zus en ik gisteren tegen mijn ouders toen we het vliegveld betraden rond kwart voor acht 's ochtends, 'Je checkt maar in tot je een ons weegt, wij gaan terug naar bed, okee?'
Mijn ouders vonden het geloof ik wel lollig en grinnikend wachtten mijn zus en ik tot ze hun koffers afgegeven hadden.
'Kijk, een Starbucks,' zei mijn zus, terwijl ze naar een Starbucks koffiehoek wees, 'Onze Starbucksbedevaart begint al goed!'
Mijn ouders gingen naar Amerika, mijn zus en ik op Starbucksbedevaart in the Starbucks Capital of Europe: D?sseldorf. En dus dronken we met mijn ouders een beker cappucino en zeiden hen gedag om het centrum van D?sseldorf op te zoeken.
Hoe vaak kan een mens het woord Starbucks gebruiken binnen 24 uur? Nou, heel vaak. Dat kunt u gerust van mij aannemen.
Een greep:
'Starbucks is echt geniaal.'
'Ik wou dat ik Starbucks uitgevonden had.'
'We kunnen echt niet voor de tweede keer bij deze Starbucks naar binnen, hoor. Da's genant.'
'Ik ga nog een Starbucksbeker kopen, dan heb ik er twee!'
'Een Duitse krant, een frappucino en uitzicht op de K?nigsallee. Ik houd van de Starbucks!'
'Hee, de hoeveelste Starbucks is dit nou? De vijfde, toch?'
'Starbucks loopt blijkbaar goed in dit dorp.'
'Als er een Starbucks in Nijmegen was dan ging ik daar echt echt echt heel vaak naartoe.'
Was er in D?sseldorf ook nog iets anders te beleven dan de Starbucks? Wel ja, natuurlijk. Mijn zus kocht nog een stel hippe Puma gympen en ik wilde iets (om het even wat) kopen, maar ik kon niets vinden behalve een jurk van 100 euro bij de Zara. (Naast erkend Starbucks bedevaartsoort, is D?sseldorf ook een erkende modestad natuurlijk. Als u zich echt eens te buiten wilt gaan aan een dagje modeshopping: D?sseldorf is the place to be! Vooral de K?nigsallee, door de D?sseldorfers liefkozend 'K?' genoemd, is een zeer prominente straat op modegebied.) Helaas had ik echter geen 100 euro om een jurk te kopen en zo vielen mijn enthousiaste koopplannetjes helemaal in het water. Maar zoals de wijze Virginie ooit eens tegen mij zei tijdens een memorabele trip naar Parijs: 'Weet je? Geld wat je niet hebt, kun je ook niet uitgeven. Al lijkt het soms bij derden of dat wel zo is...'
En met die wijsheid in mijn achterhoofd stapten mijn zus en ik in de grote stationwagon van mijn vader en reden sneller de stad uit dan mijn vader ooit eerder had klaargespeeld. Met een ernstig verhoogde caffe?nespiegel in ons lichaam volbrachten mijn zus en ik onze bedevaart aan de God die koffie heet om vervolgens 20 kipnuggets te kopen bij de McDrive. Gisteren was het leven mooi. Gisteren was het leven goed. En bovenal ontzettend ongezond...
Het is u vast niet ontgaan: de Tour de France was in Nederland en wel in de heerlijkheid Valkenburg. Nu was ik (erkend Tourfanaat) al maanden van plan om te gaan kijken, maar ik heb een beetje een probleem met Valkenburg moet u weten: ik wil er namelijk nog niet dood gevonden worden, zogezegd. En dat al helemaal niet wanneer het dorp van voor tot achter volgestouwd is met bierzuipende en jolige Hollanders. Dat kan mijn tere zieltje niet aan, dus besloot ik in overleg te treden met mijn ouders, een voor mij onvermijdelijke voorwaarde om bij de Tour te geraken vanwege het feit dat zij een auto bezitten en ik niet.
Gelukkig zijn mijn ouders ook Tourfanaten, dus het was niet zo moeilijk om hen ervan te overtuigen om het spektakel van dichtbij te gaan bekijken.
'Pa,' zei ik tegen mijnheer mijn vader, 'Kunnen we niet in Belgi? naar de Tour gaan?'
'Ja, dat hadden je moeder en ik ook al bedacht,' zei mijn vader nuchter, 'Valkenburg lijkt mij niet echt een goed idee, je zal daar wel over de hoofden kunnen lopen.'
'Ben ik even blij dat wij elkaar begrijpen,' zei ik opgewekt.
Phew. Het Valkenburggevaar was afgewend.
En aldus geschiedde. Koelbox in de auto, klapstoeltjes en parasol erbij en richting mijn oma, want die moest natuurlijk ook mee. We hadden de route van de etappe uitgeprint en gingen op zoek naar een van de colletjes die de renners onderweg zouden moeten nemen. Vol goede moed tuften we in de richting van Verviers.
'Petit-Rechain!' gilden mijn zus en ik bij een bordje langs de weg, 'Daar is een berg! Daar moeten we heen.'
'Okee,' zei mijn pa en draaide de route van de Tour de France op.
We kwamen aan in een typisch Vlaams dorpje op een helling, waar we langs de kant dranghekken met Championreclame zagen. Mijn zus en ik raakten ondertussen in euforische sferen.
'Ja, hier kunnen ze punten pakken voor het bergklassement,' gilden wij, 'Yaay! We zitten goed, holadiee!'
We parkeerden de auto, gingen in een bocht zitten en stalden daar onze campingwaar uit. Mijn vader sloeg de parasol in een perkje en wij staarden tevreden de weg af.
'Hoezee!' zei ik, 'Dit is nog eens wat anders dan de Champs Elys?es vorig jaar!'
We wachtten en we wachtten. Van alle kanten kwamen ze aangelopen. Belgen, Nederlanders, Duitsers. De reclamekaravaan kwam eraan en even later regende het allemaal stomme hebbedingetjes en etenswaren.
'Ik heb een worst gevangen! Ik heb een worst gevangen!' gilde mijn zus.
'Ze heeft een worst gevangen!' gilde ik naar mijn moeder.
'Yaay!' riepen wij allen.
De petjes, kettingen en andere zooi vloog ons om de oren en een lol dat we hadden! Een kinderhand is snel gevuld, zo blijkt maar weer.
Een klein uur later kwam de renners. Yihaa! Al van ver zagen we ze de helling opkomen. We applaudisseerden, maakten foto's en waren blij. Een kleine dertig seconden later was alles voorbij. Gelukkig heeft mijn vader net een hippe Canon spiegelreflex gekocht en bleek hij loepzuivere foto's van het peleton te hebben, zodat we even later in de auto de hele heisa opnieuw beleefden.
'Jaaaaa!' gilde mijn zus, 'Boogerd! Vol in beeld! En daar de regenboogtrui! Tom Boonen!'
U begrijpt het wel: wij waren blij en niet zo'n beetje ook. Onze Tour de France actie was uitermate geslaagd, ondanks de enorme hitte.
Toen ik later thuis op de computer een onderzoek deed naar Petit-Rechain ontdekte ik dat daar ooit eens op een blauwe maandag UFO's zijn waargenomen. Wow! UFO's
en de Tour in je dorp! Go Petit-Rechain!
Als je net verhuisd bent naar een huis met een andere keuken en zo dan moet je eerst op onderzoek uit. Stelt u het zich voor als een jungle die door Rosalie zonder vrees getrotseerd wordt. Zwaaiend met grote kapmessen om het dichte struikgewas uit de weg te ruimen ren ik door het huis tot ik op een stinkende groene bak stuit (altijd goed voor spanning en sensatie met dit weer) en mij realiseer dat ik helegaar niet in een jungle ben. Maar ach. Fantasie is een deugd voor de mensheid volgens de mensen die er in overvloed mee te maken hebben, dus dat moet u dan maar van mij aannemen.
Twee dagen geleden had ik mosterdsoep en een nog af te bakken stokbrood op het menu staan.
'Zo, een pain du stoque,' zei ik tegen mijzelf, 'Dat moet in de oven. Hmmm.'
Ik pakte mijn kapmessen en zorgde dat ik in de keuken geraakte. Niet snel daarna stond ik oog in oog met de voor mij geheel nieuwe oven. Op de oven zaten drie knopjes.
'Aha,' ik stak mijn rechterwijsvinger in de lucht alsof mij iets heel briljants inviel, 'Drie knopjes!'
Nou stonden op die drie knopjes alledrie een O en een I. Nou ben ik niet zo blond dat ik niet weet wat dat betekent, dus ik zette de knopjes zo dat ze alledrie op I stonden. Er gebeurde bijster weinig. Ik dacht diep na en ontweek een langsslingerende oerang oetang die mij probeerde te raken met een banaan.
'Eureka,' zei ik, terwijl ik aan de oven van mijn moeder dacht, 'Laat ik eens aan de tijdknop draaien, dan gaat ie vast branden!'
Aldus geschiedde. Tevreden keek ik naar de oven en na een tijdje pleurde ik mijn brood erin.
Hoppa, pan op het vuur, mosterdsoep erin. Roeren. Tralalala. Kat in het bakje. Ik keek weer in de oven en zag het pain du stoque verdacht snel bruin worden.
'Hellup!' dacht ik nog, terwijl ik het deurtje van de oven opende om het zeer rappe bruiningsproces van het brood van dichtbij te kunnen observeren. Ik sloot het deurtje weer en draaide de oven iets zachter. No way dat dit pain du stoque van binnen al goed was! Ik wendde mij weer tot de mosterdsoep toen opeens de rookmelder begon te loeien. Ik sprong een halve meter de lucht in. Fik! Amaai! Nog geen week in een nieuw huis en ik brand de boel al tot de bodem af! Gelukkig bedacht ik mij op hetzelfde ogenblik dat het lawaai natuurlijk veroorzaakt werd door mijn aangefikte pain du stoque. Maar hoe kreeg ik die takkerookmelder uit? Ik wilde naar mijn huisgenoten gillen, maar aangezien ze er allebei niet waren, moest ik deze crisis zelf zien te bezweren. Ik trok de deur naar de gang dicht en na tien seconden stopte het alarm met loeien. Phew. Zo zie je maar weer meteen dat zo'n een keuken een soort oerwoud is, maar toch niet helemaal. Vind immers maar eens een deur als je achterna gezeten wordt door bosjesmannen of zo...
De conclusie die we kunnen trekken uit mijn Indiana Jonesavontuur in eigen huis: De rookmelder doet het dus. En de oven ook. Ik weet alleen nog niet precies hoe!
Over een klein half uurtje vertrek ik naar Schiphol. Over een kleine vijf uur, vlieg ik met een Boeing 777 over de blauwe oceaan. Stuiterend van de adrenaline ren ik door het huis, op zoek naar de laatste dingetjes. Terwijl ik mezelf klaar maak voor vertrek, neurie ik wat voor mezelf. Dat hoort namelijk bij mij, neurien. Vooral als ik goed geluimd ben. Al helemaal als ik ook nog eens hyper ben van de spanning. Ik heb geen problemen met mijn geneurie en gelukkig de meeste mensen om mij heen ook niet. Of ze zijn te fatsoenlijk om er iets van te zeggen, dat kan natuurlijk ook. Op dit moment maak ik mezelf echter gek met mijn geneurie. Sinterklaasliedjes staan namelijk niet bovenaan mijn lijstje van favoriete liedjes, vooral niet buiten de sinterklaastijd. Toch neurie ik Sinterklaasliedjes. Waarom? Vraagt u zich misschien af. Tja, dat moet u mijn buurjongen vragen. Mijn buurjongen is verstandelijk beperkt en erg fan van vooral harde muziek. Door zijn beperking is hij absoluut niet gehinderd door enige notie van tijd of speciale dagen in het jaar. Dus midden in de zomer hoor ik Sinterklaasliedjes. Met Pasen waren het Kerstliedjes en tijdens de kerstdagen werd ik ?verblijd? met carnavalsliedjes. Ondanks sommige vervelende neven-effecten (het geneurie van de gehoorde liedjes?), ben ik toch ook een beetje benieuwd wat hij draait bij terugkomst?
Maar nu ga ik toch maar even proberen van de Sinterklaasliedjes af te komen en ik weet precies welke liedje ik daarvoor ga gebruiken:
?Start spreading the news, I?m leaving today??
|
|