Waarom het bijna 24 jaar heeft geduurd, voordat deze term zich in mijn leven introduceerde is mij een raadsel, maar dat heeft het. Pas bij het kopen van een paar hele leuke, donkerbruine suede instappers (voor de heren: een paar schoenen dus

), was mijn moeders commentaar: "Goh, je hebt wel jubeltenen in die schoenen zeg."
Jubeltenen. Simpelweg briljant! Niet alleen omdat het een woord is waar je vrolijk van wordt, maar ook omdat ik jubeltenen heb! Eindelijk kan ik een reden geven voor het feit dat ik 300 paar sokken per jaar verslijt. Want het ligt niet aan die nieuwe schoenen, het
lijkt namelijk niet alsof ik jubeltenen heb. Nee, ik
heb jubeltenen! Dit is gewoon het eerste paar schoenen dat mijn tenen recht aandoet! Eindelijk dus ook een paar schoenen, waarin ik niet meteen na 1 dag alweer gaten in mijn sokken heb, of ladders in mijn kousen. Nee, deze schoenen geven eindelijk mijn tenen de vrijheid. En daar jubelen niet alleen mijn tenen van, maar ik ook. Eindelijk ben ik af van het stoppen van 300 paar sokken ieder jaar...
Vandaag is het Sint Maarten. De dag waarop kinderen die niet eens weten wie Sint Maarten is langs de deuren gaan lopen leuren voor snoep. Alsof ze thuis niks krijgen, tsssk. En dan die ouders die op de hoek staan te kijken hoe hun koters al die zoetigheid binnenhalen, ieuw. Ik heb het niet zo op Sint Maarten, maar dat had u vast al gemerkt. Ik deed er vroeger ook niet aan. Ik weet eigenlijk niet precies of mijn ouders geen zin hadden om op een hoek te gaan staan of dat ik gewoon de deuren niet langs durfde en mijn ouders daar blij om waren omdat ze dan zelf ook niet de kou in hoefden.
Toen ik net terug kwam van de supermarkt met in mijn tasje allemaal stukken vlees die flink afgeprijsd waren, zag ik ze staan op de hoek. Heul veul ouders en nog meer kinderen. Met lampionnetjes. Nou moet u weten dat ik dus dusdanig niet aan Sint Maarten doe dat ik er dus ook niet aan denk als 11 november aanbreekt. Ik denk bijvoorbeeld wel altijd aan mijn vorig jaar overleden oom die vandaag 52 zou zijn geworden of aan het feit dat vandaag het carnavalsseizoen geopend wordt. Maar dus niet aan Sint Maarten. Kom nou, zeg. Ik ben toch niet gek?
'Kut,' dacht ik bij mezelf, toen ik de hele troep op de hoek zag staan, 'Dadelijk komt die hele zooi bij mij aan de deur en dan ga je het krijgen. Dan willen ze snoep, maar dat heb ik niet. Ja, alleen de chemische rode aardbeienveters die ik net gekocht hebt, maar die ga ik natuurlijk niet aan kindertjes geven die niet eens weten wie Sint Maarten is!'
Nee, dat moest ik niet hebben. Niet mijn rode aardbeienveters! Snel propte ik de veters naar binnen en overwoog mijn opties. Al snel concludeerde ik dat ik de deur in ieder geval niet open ging doen.
Ik overwoog om naar mijn slaapkamer te gaan die aan de andere kant van het pand zit.
Ik overwoog om bij De Drol op bezoek te gaan.
Ik overwoog om uit het raam te schreeuwen dat ik alleen snoep zou geven aan kinderen die weten wat Sint Maarten gedaan heeft (namelijk zijn mantel in twee?n hakken om een helft aan iemand te geven die in z'n blootje rondliep. De filantroop!)
Uiteindelijk besloot ik om in het donker te gaan zitten. Een donker raam ziet er verlaten uit. Waar het donker is, is niemand thuis. Want nee, al die kinderen aan mijn deur dat moet ik echt niet. Die dan allemaal 'Sint Maarten, Sint Maarten, geef me een nieuwe hoed!' of andere literaire teksten de gang inbrullen. In mijn tijd mensen, toen probeerden we tenminste nog te zingen.
Dus heb ik in het donker gezeten en mijn internet gefixt, dat was fijn.
En natuurlijk werd er niet aangebeld en dat is maar goed ook.
Voor iemand die net zo oud is als de wereld, is vadertje tijd nog heel kwiek. Hij kan in ieder geval nog behoorlijk hard rennen. Ik niet. Ik ben geen renner. Ik kan het voor geen meter en ik heb er een bloedhekel aan. Er is maar een ding waarvoor ik bij hoge uitzondering ren; het halen van een bus. En dan nog alleen maar als ik anders minstens een half uur op de volgende bus moet wachten. Is dat niet het geval, dan wacht ik wel op die volgende bus. Maar deze week rent vadertje tijd zo hard, dat ik wel mee moet rennen. Nou ja, met mijn talent voor rennen, is het meer een soort snelwandelen natuurlijk. Afspraak na afspraak, allemaal in een strak passend tijdschema gepland. Voor een dagje vind ik dat niet zo erg. Twee daagjes? Kan ook nog wel. Maar een hele week? Nee, dan raak ik een beetje gestresst.
En nu zit ik hier. Met twee loze uurtjes. Ineens heb ik twee uurtjes extra, omdat ik er net achter kom dat er een roosterwijziging is geweest en mijn college dus niet om 08.45u begint, maar om 10.45. Twee uur later. Twee hele uren die ik graag nog slapend had doorgebracht, maar ja, nu ben ik wakker en alweer net teveel gestresst om weer in slaap te kunnen vallen. Want dit gooit even mijn hele tijdschema van vandaag in de war. Mijn rijles van vandaag moet ik dus uit mijn tijdschema schrappen. Nu alleen nog hopen dat ik misschien een kwartiertje eerder weg mag uit college, dan kan ik toch nog net het bezoekuur van het ziekenhuis halen.
Dat wordt straks dus weer haasten en rennen om alles gedaan te krijgen, terwijl ik hier nu met twee loze uren zit. Nu heb ik tijd over, die ik straks weer tekort kom. Wat zou het handig zijn als het zou werken wanneer ik mijn horloge nu vooruit zou zetten, om straks deze twee loze uurtjes in mijn dag te passen, wanneer ik ze nodig heb...
Ik woon tegenwoordig in een huis met een Drol. Ja ja, u leest het goed. Een Drol. Van het zuiverste water. Van de bovenste plank. Je kunt er lang over praten, je kunt er kort over praten, maar een Drol dat is ze. En een zooitje dat ze ervan maakt, u zult het niet geloven. Wist ik voordat ik mijn woonst betrok dat ik te maken ging krijgen met een Drol? Ja, dat wist ik. Maar dat het zo erg zou zijn dat kon zelfs ik met mijn hang naar rampscenario's niet verzinnen. Tsjongejongejonge.
Het favoriete zinnetje van de Drol is 'Ja...' en dat zegt ze werkelijk op alles.
'Drol, ik zou graag zien dat je het toilet poetst!'
'Ja...'
'Drol, ik zou graag zien dat je niet je balkondeuren open laat staan als je de hele dag weggaat!'
'Ja...'
'Drol, heb je gezien dat ik het toilet heb gepoetst en de gang heb gestofzuigd, terwijl dat jouw taak is?!'
'Ja...'
Met andere woorden: Pleur toch op, zeg! Een Drol van de hoogste orde, wat ik u brom.
Laatst, tijdens een nieuw dergelijk onderhoud met Drol zei ze opeens iets anders tegen mij en mijn andere huisgenoot.
'Jullie zijn helemaal niet aardig tegen mij!'
Neeeee joh. Echt niet?
Wij trokken heel mooi synchroon onze wenkbrauwen op zoals alleen twee mensen die een gezamenlijke strijd voeren dat kunnen en vroegen ons af of zij nou echt niet ziet dat het een met het ander in verband staat of dat ze alleen maar doet alsof. Want ja, altijd zegt ze dat ze gaat poetsen, opruimen etc. en nooit voert ze ene flikker uit. Geen afspraak waaraan ze zich houdt, de Drol. Het is bijna net zo ziekelijk als het zielig is, eigenlijk.
Totdat ze opeens zei:
'Jullie hoeven niet meteen zo onaardig te doen, hoor. Als je een keer een probleem met mij hebt, kun je dat ook normaal zeggen.'
Hand in eigen boezem. Tuurlijk. Wij vragen ook liever iets normaal, maar dat stadium zijn we natuurlijk allang gepasseerd. Als vriendelijk doch dringend verzoeken niet helpt, dan ga je vanzelf over op hardere maatregelen. En daarnaast vind ik eigenlijk dat de kreet 'Als je een probleem hebt dan moet je dat gewoon zeggen' natuurlijk een makkelijke variant is van 'Ik ben asociaal, doe wat ik wil totdat iemand er wat van zegt en dat doen ze toch niet, dus dikke neus sukkels' en met dat soort mensen ben ik echt he-le-maal klaar. Jammer voor de Drol, maar die gaat dus het slachtoffer worden van mijn kruistocht tegen dit interessante type mens. Je moet toch ergens beginnen met het verbeteren van de wereld, nietwaar?
U denkt nu natuurlijk: 'Nou nou nou Rosalie, zo gaat dat in studentenhuizen, dus stel je niet aan!'
Nou lieve lezer, onder normale omstandigheden zou dat ook zeker gelden. Maar dit is geen normale omstandigheid. Nee nee. Als u de clue van dit spannende vervolgverhaal zou weten, dan zou u het begrijpen. Maar die ga ik nog niet geven, ha! Het wordt een ouderwetse cliffhanger en die ga ik rekken, joh. Niet te geloven. Dus vanaf nu van tijd tot tijd een deeltje van dit spannende vervolgverhaal op Nuit Blanche. Een vervolgverhaal over een Drol. Een vervolgverhaal wat echt roman-material is, eigenlijk. Want dat heb ik nou altijd. Ik maak opvallend vaak dingen mee waarvan iedereen zegt: 'Dat verzin je, dat kan niet' of 'Niet te filmen!' Nou wel, dus. Over vijf jaar in de bioscoop: 'The story of a girl, called a piece of poop'. Dat u het even weet.
Gisteren belde ik met de helpdesk van bedrijf Q. dat mijn internetverbinding levert. Pardon, zou moeten leveren. Vorige week dinsdag zat ik te internetten en de lay-out van deze site te veranderen en pats. In een keer viel internet weg. Niet meer te reanimeren. Ik pissig natuurlijk. Ik zag het weer helemaal voor me. Ik, op de bank, helemaal trillend van alle ontwenningsverschijnselen die er door mijn lijf gieren. Kijkend naar slechte tv, zoals X Factor, Beauty and the Nerd, Katja vs. Gordon en last but not least: al die klote verkiezingsmeuk.
Ondertussen zijn we een dikke week verder. Ondertussen heb ik al vanalles geprobeerd. De router er tussen uit, de splitter er tussen uit, IP-adres vernieuwen, router resetten, DNS-servers handmatig invoeren en weet ik veel wat nog meer allemaal. Maar er gebeurde helegaar niets. Ik nog pissiger natuurlijk. En dus belde ik gisteren met Q., tot mijn grote onvreugde. Ik houd niet van helpdesks. Die behandelen mij namelijk doorgaans alsof ik een domme drol ben.
'Ja, goedemorgen,' zei ik na acht minuten wachttijd, 'Ik heb een internetprobleem.'
Vervolgens moet ik alles doen wat ik de afgelopen week al minstens vijftien keer geprobeerd heb.
'Ga anders even naar 'uitvoeren' en typ daar 'cmd', Christiaan Maria Dirk,' zegt het helpdeskvrouwtje.
Goh, dat had ik nog niet geprobeerd. Maar ik doe braaf wat ze zegt.
'Dan zie je een zwart schermpje,' zegt ze.
'Ja, een MS-DOS schermpje,' zeg ik, terwijl ik met mijn ogen draai.
'Oh, dat kent u?'
Eh ja, dat ken ik. Wij hadden thuis al computers toen jij nog met een ganzenveer schreef, tutje. Zucht. Mijn pa had namelijk al een computer toen ze nog aangedreven werden door bandjes met een afgrijselijk gekrijs en gepiep erop. Het helpdeskvrouwtje onderschat mij hevig, dat is duidelijk.
Na 50 hele minuten ? la 10 cent per minuut trekt het helpdeskvrouwtje de volgende ontstellende conclusie: 'Eh nou, mevrouw. Daar moet een monteur bijkomen. Zal ik even uw nummer noteren?'
Ik geef mijn nummer en zij noteert het (neem ik dan maar even aan).
'Die monteur kan vast niet in het weekend, h??' informeer ik.
'Eh nee, het spijt me.'
'Oh, nou dan duurt het nog wel even voordat ik weer internet heb,' zeg ik.
Oh man, geen internet tot volgende week donderdag. Ik ga maar een ganzenbordspel kopen om het weekend door te komen. Een buitenkansje om de goede ouderwetsche Hollandsche gezelligheid weer terug te brengen in mijn pand en in mijn leven. Maar eigenlijk wil ik dat helegaar niet! Ik wil verdikkie gewoon deze lay-out in orde maken!
Het valt allemaal nog niet mee, zo'n weblog. Ben ik eindelijk weer 'connected', valt bij Rosalie het internet ineens weg, zonder verklaarbare reden. Als we zo door blijven gaan, wordt het eigenlijk toch nog een solo-weblog, maar dan met iedere maand afwisselend een van ons als logger. Maar we geven de hoop nog niet op. Wie weet, misschien is Rosalie's probleem wel met een kort telefoontje naar de server te fixen (yeah, right). Maar goed, tot die tijd, zullen jullie het dus even met mij moeten doen. Kan ik ook meteen de schade een beetje inhalen.
Vandaag wil ik het graag even hebben over Elvis.
Elvis kennen we natuurlijk allemaal. Mocht u om een totaal onverklaarbare reden niet weten wie Elvis is, dan raad ik u aan zo snel mogelijk weer terug te kruipen in uw schuilkelder. Maar goed, hoe geweldig deze Elvis ook is/was, het is niet de Elvis waar ik het over wil hebben. Sinds kort is er namelijk een Elvis in mijn leven. U moet namelijk weten dat ik sinds kort af en toe in een auto op de weg te vinden ben onder begeleiding van een rij-instructeur. En iedere woensdagavond komen alle toekomstige bevoegde autorijders bij elkaar voor een infoavond. Op deze avonden gaan we op belangrijke kwesties in, zoals het juist rijden van een rotonde. De meeste mannen voelen zich te goed om aanwezig te zijn bij deze avonden, zij zijn immers man en weten dus natuurlijk al hoe dat allemaal moet. Zij hebben daar een soort oerinstinct voor. Maar daar zal ik het een andere keer nog wel eens over hebben.
Kortom, eigenlijk is zo'n woensdag dus meer een theekransje voor de beginnende vrouwelijke chauffeurs. Op Elvis na dan. Elvis komt ook braaf iedere week. Ik weet dat hij Elvis heet, omdat hij dat op de presentielijst schrijft. Elvis heeft verder ook geen achternaam. Althans niet volgens de presentielijst. Ik schrijf altijd braaf mijn naam compleet op, evenals de rest van de vrouwen. Elvis niet, want met zo'n naam, heb je natuurlijk ook geen achternaam nodig.
Maar goed, altijd als ik dat 'Elvis' op het blaadje zie staan, word ik tegelijkertijd een beetje vrolijk en een beetje droevig. Vrolijk omdat het eigenlijk natuurlijk een über-geweldige naam is. Droevig omdat ik best medelijden heb met de jongen wiens ouders dachten dat het een goed idee was hun zoon Elvis te noemen. Er moeten momenten in zijn leven zijn geweest dat hij zijn ouders erom vervloekte.
Zo zijn er meer namen die, naar mijn mening althans, geen goed idee zijn. Soms omdat ze teveel beladen zijn (zoals Elvis), soms omdat ze gewoon te stompzinnig en/of makkelijk berijmbaar zijn (zoals Eulalia). Niet zo lang geleden kwam ik vlakbij het ouderlijk huis dan ook langs een geboortebord in een tuin, waarop de geboorte van Storm werd aangekondigd. Ik kon niet wachten tot ik dat thuis zou kunnen vertellen, dat er een jongen was geboren met de naam Storm. Voor ons is de naam namelijk onlosmakelijk verbonden met Jiskefet. Waarop ik concludeerde dat de ouders van de jonge Storm ofwel enorme fans waren, of compleet onwetend van het bestaan van de andere Storm.
Dat onwetendheid het geval moest zijn, kwam ik een paar dagen later achter. Toen bleek dat deze jonge Storm zelfs nog familie van mij is. Verre familie welliswaar, maar evengoed familie. Ook bleek dat het niet om een jongetje ging. De ouders waren zeer trots op hun dochter Storm. Ik moest toch even slikken toen ik dit allemaal te horen kreeg, terwijl ik me ineens bedacht dat de ouders dan waarschijnlijk fan waren van The X-men. Maar het mooiste moment moest nog komen. Storm heeft namelijk een zus. Toen haar werd gevraagd, hoe haar nieuwe zusje heette, verscheen er een diepe frons op haar voorhoofd. Dat was een moeilijke vraag. Daar moest ze echt even goed over denken. Maar ineens klaarde het gezicht helemaal op; ze wist het weer! 'Ik weet het', zei ze: 'mijn zusje heet onweer!' En ik denk dat daarmee alles wel is gezegd...
De crisis is afgewend. Voorlopig in ieder geval. De huisbaas is zo vriendelijk geweest de insecten uit mijn keuken te verwijderen. Of eigenlijk niet zozeer de huisbaas zelf, als wel zijn manusje-van-alles. De huisbaas neemt namelijk wel alle administratieve onderdelen van het beheer voor zijn rekening, maar voor alle dingen die daadwerkelijk gedaan moeten worden; waar arbeid voor verricht moet worden, daar heeft hij een manusje voor. Nu stel ik me bij een manusje meestal een opgeschoten puber voor, maar daar is hier allerminst sprake van. Ik gok namelijk dat deze manus de pensioensgerechtigde leeftijd al heeft bereikt. Maar hij is nog kwiek, dus elke week is hij hier samen met de huisbaas, in zijn blauwe overall en met zijn onafscheidelijke sigaar.
Hoe dan ook, hij vond mijn penibele gijzelingssituatie in de keuken wel interessant en was onder de indruk van het feit dat ik ze gevangen gezet had. Mij lijkt het vrij logisch dat je dat op zijn minst probeert. Naar de huisbaas gaan om te vragen of hij wil komen kijken naar een insect waarvan je niet weet waar het zich bevindt, is vrij lastig. Maar goed, de huisbaas en de sigaar volgen mij naar mijn keuken en nemen de situatie even in zich op. Als duidelijk is dat er geen direct gevaar voor de volksgezondheid is, besluit de sigaar tot actie over te gaan. Dus, hupsakeetje, hij tilt het eerste glas op en pakt het beestje vast om het eens aandachtig te bestuderen. Nou heb ik met dat bestuderen geen problemen, maar alleen al de gedachte het beestje vast te pakken, bezorgt me koude rillingen. De sigaar krijgt echter denk ik zwemmend in een Finse ijszee nog geen last van koude rillingen, laat staan van deze sprinkhaan. Want dat was het dus, een sprinkhaan. Mijn eerste ingeving toen ik het beestje zag klopte dus. Driewerf hoera, er zit geen vreemde kakkerlaksoort in mijn (schone!) keuken.
Toch voel ik me nog niet weer helemaal op gemak in mijn keuken/kamer. Ik spiek de hele tijd om me heen, speurend naar verdachte individuen. Toen ik hier pas woonde heb ik ook een keer een sprinkhaan binnen gehad, maar die zat wel nog bij de schuifpui die ik tot kort daarvoor open had gehad. Het was dus de simpele kwestie van even de deur openschuiven, een duwtje in de goede richting geven en hopla, Virginie was van de sprinkhaan verlost. Maar nu had mijn schuifpui niet opengestaan. Deze exemplaren kwamen uit het niets, in mijn keuken nog wel! Voorlopig houd ik de situatie hier dus nog scherp in de gaten, totdat ik zeker weet dat er zich niet stiekem ergens een sprinkhanenhaard bevindt. Want ook al houd ik naar mijn weten geen uitverkoren volk gevangen, ik wil graag koste wat kost een herhaling van Exodus 10 in mijn kamer voorkomen:
'Strek je arm uit over Egypte, dan komen er sprinkhanen, die alle planten zullen opvreten die de hagel heeft overgelaten. Mozes strekte zijn staf uit over Egypte, en toen liet de HEER die hele dag en die hele nacht een oostenwind over het land waaien. Toen de morgen aanbrak, had de wind de sprinkhanen aangevoerd. In grote zwermen streken ze in heel Egypte neer. Nooit eerder was er zo'n sprinkhanenplaag geweest en nooit zal er meer zo'n plaag komen. Overal zag de grond zwart van de sprinkhanen. Ze vraten alle planten en vruchten op die de hagel had overgelaten, zodat er nergens in Egypte aan bomen of planten nog iets groens te bekennen viel.'
|
|