Afgelopen zaterdag ging ik met vriendinnen F. en J. naar Dusseldorf. Het plan was om naar het K20 museum te gaan (een fijn museum voor moderne kunst, waar ze allemaal schilderijen hebben van gastjes als Picasso, Magritte, Mondriaan. Afijn, u kent ze wel en zo niet dan wordt het tijd dat u daar iets aan doet, zo!). Dit culturele bezoek lieten we voorafgaan door het drinken van een grote beker cappucino bij een van de vele
Starbucks filialen die Dusseldorf rijk is en het eten van een vetty currywurst bij een Imbiss. En daar heb je er in Dusseldorf nog meer van dan Starbucks filialen, dat kunt u gerust van mij aannemen. Dusseldorf ligt namelijk in Duitsland en dat is nou eenmaal de vreetschuur van Europa. Net wat voor mij, ik houd namelijk erg van vreetschuren. Ik kan zelfs een heusche culinaire gids schrijven over vreetschuren in de Euregio, waarbij ik punten kan toekennen voor a. de grootste schnitzel, b. de meeste dode herten en everzwijnen aan de muur, c. het meest prominente gebruik van het Bittburger lettertype en d. het meest rustieke personeel. Want ja, dat zijn toch wel zo'n beetje de kenmerken van een echte authentiek Duits restaurant.
Op de terugweg ging er iets mis. We hadden amper Dusseldorf verlaten of we kwamen in de file terecht.
File?! Wij, treinmeisjes bij uitstek (we waren immers met de geleende auto van F.'s ouders) raakten ter stond in shock.
'Nou,' zei F. welbespraakt.
'Bah,' was J. het met haar eens.
'Ich werd ja bekloppt,' zei ik.
En toen stonden we daar. Stil. Op de Deutsche Autobahn. En dat terwijl je daar snotverdorie gewoon 180 mag! Gewoon. Honderd-en-tachtig. En wij gingen nul-komma-nul. Dat is dan toch best wel een deceptie.
'Bah,' zeiden wij nog maar eens, een keer of vijftig en om beurten.
'Kutduitser,' zeiden wij nog maar eens, een keer of vijftig en om beurten. Want die Duitsers wisselden de hele tijd van baan. Zo gaat dat in de file (is ons verteld).
'Heb jij chemische snoep?' vroeg F. aan mij.
'Ja, ik heb altijd chemische snoep,' zei ik en haalde de chemische snoep erbij.
Even later kauwden we op mijn eeuwige winegums en staarden verveeld naar buiten.
'Volgens mij is dit Schubert,' zei F. in een poging het legendarische spel 'laten-we-raden-welk-klassiek-stuk-er-op-dit-moment-op-radio-vier-is' van de grond te krijgen.
Maar dat spel kwam niet echt van de grond, want het stuk duurde eeuwig en bleek uiteindelijk geen Schubert te zijn.
'Hey Pflanz, wie geht's dir?' zei ik tegen de plant die op mijn schoot stond en gekocht was door F. en J. voor twee vrienden die die avond een feestje gooiden.
Het was even stil.
'Hij zegt niks terug, het Arschloch,' zei ik vertoornd.
En weer staarden we naar buiten en kauwden we op mijn eeuwige winegums.
Ooit is de file weer gaan rijden, want ehm ja... ik ben weer thuis. Maar vraag me niet hoe, wat en wanneer. En vooral niet hoe lang het duurde. Ik kreeg een beetje het 'we-staan-met-de-NS-stil-in-de-wei-en-we-weten-niet-waarom' gevoel. Er is blijkbaar geen ontkomen aan. Of je moet een helikopter (Hubschrauber, tolles Wort!) hebben. Of beter nog, een zeppelin.
Steden en dorpen hebben nogal eens een leus. Een soort motto, dat op al het promotiemateriaal van de plaats verschijnt. Zo kom ik bijvoorbeeld uit de buurt van het 'stedje van lol en plezeer'. Maar er bestaat ook een plaatsje dat de woorden pittig & attractief aan zich heeft verbonden. Een Belgisch plaatsje om precies te zijn. Het attractieve aspect heb ik niet echt weten te ontdekken, maar laat ik ze het voordeel van de twijfel geven, en het grauwe, koude herfstweer daarvan de schuld geven. Ook het pittige aspect wist ik niet te ontdekken terwijl ik rondliep te M., maar eenmaal terug bij mijn auto, had ik het pittige snel ontdekt. M. zelf is namelijk niet erg pittig, maar de parkeerwachters, die kunnen er wat van.
Juist ja, u raadt het al; ik heb mijn eerste boete binnen. Mijn allereerste bekeuring. En waar heb ik hem voor gekregen? Niet voor te hard rijden, nee nee, ook niet voor rijden door rood of het negeren van een stopbord, nee hoor, ik heb een boete voor foutparkeren. Of eigenlijk zelfs dat niet, want ik stond echt keurig ingeparkeerd (voor een vrouw kan ik dat namelijk best goed

), maar dat mocht niet baten. Ik had namelijk geen parkeerschijf. En het was een blauwe zone. Niet dat duidelijk aangegeven was dat de parkeerplaats een blauwe zone was, maar een Belgische passant was zo vriendelijk om ons daarop te wijzen. Dat was echt heel vriendelijk, maar ik schoot er niets mee op, want ik had geen blauwe parkeerschijf. Die zat niet in de standaarduitrusting van mijn auto. Nu was ik natuurlijk al langer op de hoogte van het feit dat ik geen parkeerschijf had, maar ik had het kopen ervan bepaald geen prioriteit gegeven. Want hoe vaak wordt dat ding in Nederland nou nog gebruikt? Hier hebben de gemeentes al lang ontdekt dat parkeerplaatsen mooie melkkoeien zijn.
Er was eigenlijk geen gelegenheid om op dat moment nog een nieuwe parkeerplaats te zoeken, dus redeneerde ik als volgt:
De essentie van een parkeerschijf, is het aangeven van de aankomsttijd. Het feit dat het een blauw kaartje is, lijkt mij dan ondergeschikt. Wanneer ik dus op andere wijze mijn aankomsttijd weergeef, zou dat ook wel een keertje door de beugel moeten kunnen.
Zo gedacht, zo gedaan; ik schreef netjes een briefje met daarop vermelding van de datum, plaats en aankomsttijd en het berichtje dat het me zeer speet, maar dat ik helaas niet beschikte over een parkeerschijf en plaatste dat duidelijk zichtbaar onder mijn voorruit.
Zo gedacht, zo niet gedaan was echter de mening van het parkeerbeheer van M. Toen ik dus terugkwam bij mijn auto, had ik een mooie 'kassabon' onder mijn ruitenwisser liggen, met het verzoek te stad M. te verrijken voor het magistrale bedrag van 12 euro en 50 cent.
Dit heb ik dan ook maar braaf gedaan. Want feit is natuurlijk, dat ik inderdaad geen blauw schijfje had. Bovendien ben ik al lang blij dat het bij een schade van 12,50 is gebleven, want door het hele avontuurtje, had ik bijna nog veel meer pijn in mijn portemonne geleden, maar daarover vertel ik de volgende keer wel...
Stelt u zich de volgende situatie eens voor: u voelt zich niet zo lekker, belt uw werk op om te zeggen dat u in bed blijft en gaat vervolgens naar het toilet. Het eerste wat u denkt zo gauw u op het toilet aankomt is het volgende: 'Sowhee, hier heeft iemand flink naast de pot gepiest!' Want de hele vloer staat blank. Uw tweede gedachte is: 'Sowhee, het toilet is verstopt en stroomt over!' U kijkt in het toilet en stelt vast dat dit zeer zeker niet het geval is. Vervolgens wendt u uw blik naar het plafond en doet een niet zo jofele ontdekking: 'Kut, het lekt!' U houdt u door hoofdpijn al niet zo blije hoofd even schuin, en beziet de druppels aan het plafond. U stelt vast dat zich boven het toilet een kast bevindt met daarin een CV-ketel. U denkt: 'Kutkutkut, de CV-ketel is naar de klote.' U vindt vervolgens dat uw gedachten niet zo eloquent zijn, maar dat dit in deze situatie geoorloofd is. U stormt de trap op, smijt de deur van de CV-ketelkast open en ziet grote natte vochtplekken. 'Neen!' brult u, maar niet te hard, want u wilt uw eveneens zieke huisgenoot er nog niet bij betrekken, 'We hebben een daklek! Godjandosie, een heusch daklek!' U wordt opeens heel kordaat (en dat terwijl dit niet zo uw natuurlijke zijnstoestand is) en belt de woningstichting, die even later een mannetje langstuurt die tot dezelfde conclusie komt als u een klein uurtje eerder en u vertelt dat zo'n dak pas gefixt kan worden als het weer droog is.
'Hallo regengoden!' roept u op uw allerslijmerigst in de richting van de hemel, 'Kan het misschien even wat minder teneinde een kortsluiting in mijn CV-ketel te voorkomen?'
En u typt een logje en gaat weer op de bank liggen bibberen, want dat was waar u eigenlijk mee bezig was.
Soms doe je dingen, waarvan je weet dat het eigenlijk niet zo'n goed idee is. Virginie in een tent bijvoorbeeld. Of Virginie in een slaapzak, dat is daar ook zo'n voorbeeld van. Maar het ergste is nog wel, Virginie in een slaapzak, in een kleine tent. En dan bedoel ik ook echt een kleine tent. Zo'n puptentje, waar je net met twee personen in kunt gaan liggen, mits je geen bagage hebt. Stop mij in zo'n tentje, dan wordt het geheid feest.
Waarom precies snap ik niet. Als je me zou vragen of ik claustrofobisch ben, zou ik zonder aarzelen 'nee' antwoorden. Eigenlijk heb ik geen problemen met kleine ruimtes. Ook liften vormen geen obstakel in mijn leven. Maar vraag me niet te slapen in een lage ruimte. Als ik niet minstens mijn arm kan strekken terwijl ik lig, dan wordt het niks. Geen slapen, geen rusten, maar wel lichtelijk paniek. Ik heb nog nooit uitgeprobeerd hoe erg de paniek zou worden, wanneer ik gewoon stug zou blijven liggen en eigenlijk ben ik dat ook niet van plan. Als het even kan, probeer ik mijn leven te leven zonder ooit die kennis op te doen.
De eerste keer dat ik me er eigenlijk echt van bewust werd, was op een zeilkamp. Heeft u namelijk wel eens het vooronder gezien van een skutsje? Dat is lekker knus, zal ik maar zeggen. En Virginie he, ikke dus, die kon daar niet aarden. Die kon daar echt absoluut totaal niet aarden. Dat begon al bij het feit, dat je het vooronder alleen kruipend in kon en je vervolgens ook niet meer rechtop kon komen, totdat je er weer uitkroop. Nee, daar hield ik het niet lang uit. Ik verkoos met liefde de harde, smalle bank naast het kombuis, boven de zachte, matras in het vooronder.
Maar eigenlijk had ik het al eerder kunnen weten. Toen ik als klein meiske namelijk ooit een poging deed 1 nacht door te brengen in een stapelbed in een caravan. Laten we zeggen dat het avontuur niet zo goed ging en alleen opgelost kon worden met heel veel tranen en een nachtelijk tochtje naar het logeerbed bij oma.
Toen ik dus deze week gewapend met mijn opgeblazen luchtbed in de ene, en mijn slaapzak in mijn andere hand bij het puptentje aankwam, had ik echt niet meer dan drie hersencellen nodig om binnen twee seconden te bepalen, dat dat geen goed idee was. Tot nu toe is het me dan ook gelukt, om aan een nacht in zo'n puptentje te ontsnappen. Nu hoop ik alleen nog, dat het geluk de rest van de week ook aan mijn zijde blijft...
Ik had net mijn eerste tentamen in, laten we zeggen, drie jaar. Hoe komt dat, vraagt u zich vast af? Nou, als we dat toch eens wisten. Laten we het er maar op houden dat de dingen soms niet zo gaan als je dat graag zou willen en je er gewoon geen weg meer uit weet te vinden. Die weg is er nu wel. Hij lag al een jaartje te sluimeren, maar kwam maar niet naar de oppervlakte. Nu gaat het goed, ik boek voorzichtig de eerste resultaten op de goede weg. U kunt me een miljoen geven, ik hoef het niet. Hier ben ik veel blijer mee, want het heeft me ontzettend dwars gezeten de afgelopen jaren dat de dingen niet liepen zoals ik dat zo graag wilde.
Stelt u zich eens voor. Om u heen zijn allemaal mensen die op zich niet dom zijn, maar zeer zeker niet slimmer dan uzelf. Maar toch halen al deze mensen een doctorandustitel en u niet. Dat doet iets met u. Ik werd kwaad. Ik dacht bij mezelf: 'Het kan verdulleme toch niet waar zijn?! Die mensen! Zeiden allemaal domme dingen in college! En die zijn drs.! Hoe kan dat nou?'
Dat er natuurlijk iets mis was met mijn eigen vermogen om tot actie over te gaan, had ik zelf ook wel door. Uren staarde ik naar witte Wordschermen of zat ik tegen vervelende mailtjes aan te hikken.
'Ik wil niet dat ze me dom vinden,' zei ik tegen mezelf, 'Ik mag dan wel eeuwig studeren, maar verdulleme. Ik weet zoveel en sterker nog, ik heb ook noemenswaardige talenten!'
Want daar twijfel ik eigenlijk nooit aan, zo ben ik dan ook wel weer.
Maar het is gelukt, al durf ik dat nog niet goed hardop te zeggen. Ik vind het weer leuk en vraag me af waar ik het goede gevoel ergens ben kwijt geraakt. Deed ik te veel andere dingen? Ja, vast. Had ik die willen missen? Nou, neen. Want ik heb veel geleerd de afgelopen jaren en als ik dan zo'n leuke sms-ende negentienjarige in college naast me heb zitten dan denk ik bij mezelf: 'Misschien moet je ook es ergens voorzitter van worden, joh. Of een half jaar in Parijs gaan wonen. Of gewoon een blog beginnen en eens nadenken over wat je met je leven wilt. En dan jezelf opeens keihard tegenkomen, dat is me toch godsallemachtig een potje nuttig!'
Het is moeilijk om in te schatten waar ik geweest zou zijn als het allemaal anders was gelopen. Ik vermoed ergens op een school in het zuiden des lands, ook erg in mijn sas. Maar het communicatiewerk wat ik nu doe, vind ik echt duizendmaal leuker. Het past beter bij mij en mijn talenten: tekstjes maken, kijken naar vormgeving, vijftien dingen tegelijk organiseren en me gewoon overal tegenaan bemoeien. En weet u wat? Ik ben blij dat ik de tijd heb gehad om daar zelf achter te komen, want sommige mensen die komen daar nooit achter.
Den Haag vindt mij vast niet jofel, maar ik? Ik ben dol op mijzelf.
Ergens gaandeweg mijn leven heb ik bedacht dat ik geen garnalen bliefde. En het mooie is, ik kan me het moment waarop ik dat bedacht ook nog levendig voor de geest halen, ha! Tot op het moment dat ik bedacht dat ik geen garnalen bliefde, had zich in ons gezin ook nog geen enkele garnaal in levende lijve aangekondigd, dus in beginsel was mijn afkeer van garnalen gewoon een ouderwets geval van 'wat de boer niet kent, dat vreet hij niet'. Maar toch. De garnaal kwam, zag, maar overwon niet. Laat dat laatste vooral duidelijk zijn.
In die dagen was mijn oom pianist in een restaurant in Zeeland. Daar reed ie dan vanuit Limburg naartoe en ik denk dat de mensen van het restaurant dat op en neer gereis zo zielig voor hem vonden dat ze hem op gegeven moment een kreeft mee naar huis gaven.
'Hier jong, een kreeft voor jou. Kun je die lekker oppeuzelen met kerstmis.'
En dus had mijn oom opeens een kreeft. Ik zie het gewoon voor me hoe hij over de Belgische autoweg naar huis zoeft met op de bijrijdersstoel zo'n stom, rood en vooral dood beest.
Het volgende probleem was natuurlijk: welke onderdelen van een kreeft zijn nou precies eetbaar? Het ding lag bij mijn oma in de keuken, waar we van heinde en verre verzamelden om het wonder te aanschouwen. Dit was duidelijk heel wat voor deze vlees-, groenten- en aardappelenfamilie. Maar goed, gelukkig had mijn oom er een handleiding bij gekregen en het kordate deel van de familie ging aan de slag.
'Er moeten garnalen bij, er moeten garnalen bij,' besloot mijn tante.
En garnalen kwamen er.
'Ieks,' zeiden mijn zus en ik, toen we in het bakje met roze wurmpjes staarden.
Want tja, je bent een verwend kreng of je bent het niet.
'Niet zeuren,' zei mijn tante en ze duwde een garnaal in mijn mond.
Dat, lieve mensen, was het moment waarop ik besloot dat ik geen garnalen bliefde.
Jaren later zat ik eens met mijn ouders bij de Turk in de Burghardt van de Berghstraat hier in Nijmegen. Mijn vader is een erkend Turkverslaafde en elke keer als hij op bezoek komt dan zegt hij: 'Gaan we naar de Turk?' en dus tja, dan doe je dat maar. Ik bestelde een spies en gadverdamme... er zat een scampi aan.
'Gadverdamme, een scampi,' zei ik, terwijl ik weer mijn oom over de Belgische autoweg zag zoeven met een kreeft op de bijrijdersstoel.
Die associaties de hele tijd, praat me er niet van. Ver-moei-end!
'Ah joh,' zeiden mijn ouders, 'Probeer nou gewoon!'
En toen deed ik dat maar. En weet u, eigenlijk was het heel lekker. Ik besloot daarom ter plekke om de garnaal in al zijn verschijningsvormen maar te omarmen.
Gisteren bedacht ik dat ik eens even een goeie wokmaaltijd ging maken en ik fietste naar de supermarkt, alwaar ik wat ingredi?nten haalde, inclusief een bakske garnalen.
'Hmmmm, lekker,' dacht ik.
Tot ik de garnalen in mijn wok gooide en er een ongelofelijk viezige zilte zeelucht binnen een mum van tijd de keuken vulde. Echt, ik ging bijna over mijn nek.
'Hee, zo ruiken jullie niet bij het Wokpalace op de Markt in Sittard,' sprak ik de garnalen bestraffend toe.
Maar ze bleven gewoon stinken, die vieze kutgarnalen. En dus gooide ik er snel wat groenten en mie bij en tenslotte een woksaus met knoflooksmaak.
'Ha!' dacht ik, 'Die knoflooksaus maakt wel een einde aan het gedonder!'
Maar niks hoor. Vergeet het maar. Stond ik daar met mijn stinkende garnalen, mooi was dat.
Even later zat ik op mijn kamertje met lange tanden mijn maaltijd naar binnen te werken. Niet dat die garnalen nou zo vies waren, maar die geur zat werkelijk overal, getsiederrie. En dus heb ik maar besloten dat ik alleen maar garnalen blief die a. bij de Turk in de Burghardt van de Berghstraat in Nijmegen vandaan komen of b. gewokt zijn door de wokmannetjes van het Wokpalace op de Markt in Sittard. Want tja, je bent een verwend kreng of je bent het niet.
Vanaf het moment dat ik door een auto geschept werd, ging het snel. Ik logeerde nog een weekje bij vriendin M., die twee bedden had en elke dag om kwart voor zeven(!) opstond. Dat laatste was wel eens goed voor mij, want toen zag ik dat dus heel goed mogelijk is als je gewoon op tijd naar bed gaat. Een openbaring op zich. Na het weekje bij M. was het tijd voor kerstvakantie.
'We komen je wel halen bij M.,' zeiden mijn ouders, 'En dan rijden we nog even langs B. om wat spullen op te halen.'
'Okee,' zei ik, niet zo blij dat ik weer naar B. moest.
Maar het gebeurde toch.
Op het moment dat ik de voordeur van het huis in B. geopend had, wist ik dat iets niet helemaal jofel was daar. Het stonk er als de ziekte en het gekreun van meneer Van den D. was nu echt een soort allesoverstemmend kermen geworden.
'Kom maar,' zeiden mijn ouders, 'We pakken even snel wat spulletjes en dan zijn we net zo snel weer weg.'
Dus met z'n drie?n hesen we ons door het zoldergat omhoog, gadegeslagen door een aantal kinderen Van den D. die ons misprijzend aankeken. Ik kan me levendig voorstellen dat ze niet zo blij met ons waren, maar van de andere kant dacht ik ook: wij zijn fatsoenlijke mensen en we komen alleen even discreet wat spulletjes pakken, excusez-nous, hoor. Rap verlieten we dan ook het pand en ik was blij dat ik even voor twee weken niet meer door die deur hoefde.
'Jezus, dat was echt verschrikkelijk,' zei mijn vader, toen we even later in de auto bij zaten te komen van onze interessante ervaring.
'Breek me de bek niet open,' was mijn welbespraakte reactie.
Ergens in die dagen besloot meneer Van den D. het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen. Het gekke is dat ik alles nog tot in detail weet, maar niet meer wanneer hij nou precies is doodgegaan. Was het tussen kerst en Oud en Nieuw? Of was het in de eerste week van januari? Of misschien nog wel later? Joost mag het weten. Feit was dat hij er niet meer was en dat ik stiekem best wel opgelucht was. Mensen zeggen vaak 'het is maar beter zo' wanneer iemand sterft, maar in dit geval was dat ook werkelijk het geval. Zeker voor meneer Van den D. zelf. Mijn ouders en ik bezochten nog de avondwake de dag voordat hij begraven werd. De avondwake was druk bezocht, naast ons was alleen de familie Van den D. aanwezig. Toen ze ons zagen, nodigden ze ons meteen uit voor een kop koffie. Het is toch wat als mensen plotseling inzien dat 'die verschrikkelijke studente bij pappie en mammie op zolder' gewoon een normaal iemand is uit een hele normale familie en gewoon belangstelling toont voor het leven van anderen. En ik kon natuurlijk hun moeder gezelschap houden, laten we dat niet vergeten.
Ik hield mevrouw Van den D. nog een ongeveer zes maanden gezelschap. Het oude vrouwtje was wel blij met mij, want zo had ze nog wat aanspraak. Huisgenoot F. was namelijk ondertussen ook verhuisd en ik verliet de zolder voor de fijnere en redelijk grote kamer aan de voorkant van het huis die F. tot dan bewoond had. Toen kreeg ik een kamer op een studentencomplex.
'Mevrouw Van den D.,' zei ik voorzichtig, 'Ik ga verhuizen.'
'Oh nee!,' piepte zij.
Ik vond het echt hartstikke zielig voor het kleine, oude vrouwtje. Niet dat ik van plan was om daar te blijven wonen, maar toch.
Na mijn verhuizing kwam ik nog een regelmatig in mijn oude huis. Vriendin P. woonde namelijk nog een tijdje in mijn oude kamer.
'Het is vreselijk,' verklaarde P., 'Mevrouw Van den D. praat alleen maar over jou en je kunt geen stap zetten of dat mens spreekt je aan. Ze zegt dat jij nooit laat uitging en heel weinig bezoek kreeg.'
'Ja, zeker toen ik nog bij dat kutdispuut rondhing,' sprak ik cynisch, 'Toen zag ik nooit mensen en lag ik elke dag om tien uur in bed.'
Ergens kon kon ik me wel indenken dat P. er zo over dacht. Maar ja. Je hebt vreselijk en vreselijk en zelfs dat is maar betrekkelijk. Heb ik geleerd. Tijdens mijn jaar in de fijne wijk B. te N. ...
P.S. Rosalie heeft het druk met het project 'Doet u mij toch nog maar een diploma, alstublieft' dus als de frequentie van de stukjes wat naar beneden gaat de komende weken dan weet u waar dat aan ligt.
De komende week is het jachtseizoen op de mol geopend. Misschien niet officieel, maar voor mij in ieder geval wel. De komende week zal ik namelijk druk bezig zijn, met de uitvoering van onze eigen amateurversie van 'Wie is..de mol?' Misschien hoort u dus de komende week iets van me, misschien ook niet; je weet het maar nooit bij zoiets.
Terwijl ik nu nog de laatste spulletjes bij elkaar aan het pakken ben, ben ik in ieder geval blij, dat ik niet een van de deelnemers ben, maar onderdeel uitmaak van de organisatie. Ik moet er namelijk niet aan denken dat een deel van mijn bagage afgepakt zou kunnen worden (zoals in bijna ieder Mol-seizoen wel een keer gebeurt), met dit koude weer. Brrrr, nee, ik ben blij dat ik mijn extra dikke slaapzak, extra dekentje en stapel vesten niet kwijt kan raken.
Desondanks denk ik dat zelfs voor de leden van de organisatie, dit een zware week kan worden... Mochten jullie dus graag over een week weer iets van mij vernemen, wens me dan maar sterkte: Virginie gaat dus op avontuur en dan kan ik altijd alle hulp wel gebruiken...
Mijn eerste horloge was er zo eentje die je op moest winden. Iedere dag moest je eerst even aan dat kleine knopje fiedelen en hem opdraaien, zodat de wijzertjes weer genoeg kracht hadden om de dag door te komen. Maar ja, dat ging natuurlijk niet altijd even goed; soms vergat ik te draaien. Of soms had ik niet lang genoeg gedraaid. En dan ging ik achter lopen. Heel ongemerkt. Want zo'n veer houdt er niet in 1x mee op. Dat is natuurlijk te makkelijk, zo'n stilstaande wijzertjes, dat valt teveel op. Nee, hij begint gewoon trager te lopen, dan hij zou moeten doen. Waardoor ik langzaam, heel onopvallend, steeds meer achter ging lopen op de rest van de wereld. In eerste instantie, bevalt dat allemaal prima, want ik was trots op al het (knutsel- )werk dat ik in een paar uurtjes verzet kreeg, maar wanneer ik er dan achter kwam (en dat gebeurde toch altijd wel) en ik mijn horloge vooruit moest zetten, voelde het eigenlijk toch net alsof me die tijd ontstolen was.
Daarna kwamen gelukkig een horloge en een wandklok die op batterijen liepen. Mijn problemen met achterlopen waren voorgoed voorbij. Of in ieder geval grotendeels; ik ging alleen nog maar even achter lopen wanneer de batterijen aan vervanging toe waren.
Met de komst van de digitale wekkers, dacht ik zelfs daar helemaal vanaf te zijn. Door een nooit aflatende stroomvoorziening uit het electriciteitsnet in combinatie met het ontbreken van wijzers die eigenwijs kunnen doen, leek mij het probleem van een achterlopende Virginie nu echt helemaal, compleet, voor altijd opgelost te zijn. Digitale wekkers, dat was het antwoord. Op een stroomstoring na, zou daar verder nooit iets mee mis kunnen gaan in het tijdsverloop.
Blijkbaar toch wel. Ik leef namelijk weer niet in de juiste tijd. Deze keer loop ik echter niet achter, maar voor. Want mijn klok, die is een beetje te enthousiast. Mijn
digitale! klok, krijgt het voor elkaar om voor te lopen. Ik weet niet hoe. Eigenlijk zou het niet moeten kunnen, maar het gebeurt toch; langzaam loopt mijn klok steeds verder vooruit. Aan gelijk zetten doe ik niet meer, nee, daarvoor vind ik het eigenlijk een beetje te interessant fenomeen. Ik ben namelijk benieuwd hoe lang het duurt voordat de klok zo ver voor staat, dat hij toch weer de juiste tijd aangeeft. Voor even dan, want daarna begint 'ie natuurlijk weer voor te lopen.
Tja, wat kan ik zeggen? De juiste tijd wordt me denk ik gewoon niet gegund, blijkbaar ben ik gewoon niet van deze tijd...
'Het is mooi geweest met jou,' zeiden vriendinnen R. en M. op een goede dag tegen mij, 'Jij komt mooi maar eens bij ??n van ons slapen, dan doe je misschien nog een oog dicht zo af en toe. Want met die kreunende man in de buurt gaat dat echt niet gebeuren!'
En dus stapte ik met mijn spulletjes op mijn fietsje en reed naar R. toe, die niet zo heel ver bij mij uit de buurt woonde. Er was echter ??n probleem: het was donker en ik was maar ??n keer eerder bij R. geweest. Doelloos fietste ik wat in het donker rond tot ik op gegeven moment een kruising zag die me vaag bekend voorkwam.
'Eureka!' dacht ik moedeloos bij mezelf en stopte voor het rode stoplicht.
Ik voelde dat er ergens iets mis ging gaan op dit kruispunt, want het was een beetje een raar kruispunt. Op het moment dat het licht op groen sprong, stak ik mijn arm uit om linksaf te slaan en werd vrijwel meteen geschept door de auto die achter me reed. Het was alsof het lot ermee speelde. Ik geloof dat dit de eerste en tegelijkertijd de laatste keer is geweest dat ik mijn arm uitstak om aan te geven dat ik af wilde slaan. In slow motion ging ik onderuit en kwakte tegen het wegdek.
'Ja, dat kan er ook nog wel bij,' dacht ik bij mezelf.
Wat er toen volgde was vaag. Een tierend wijf sprong uit de auto en begon tegen mij te schelden.
'Doe even rustig, mevrouwtje,' zei een meneer die zich ook tegen de situatie begon aan te bemoeien.
De mevrouw had niks aan haar auto, mijn fiets deed het ook nog. Behalve de schaafwond op mijn hand was er weinig aan mijn hand. De vrouw sleepte mij zowat haar auto in en bestookte mij met vragen. Veel meer dan 'ja', 'nee' en 'weet ik niet' kwam er niet uit. Nadat de vrouw mijn adresgegevens genoteerd had, zette ze me weer uit de auto. En daar stond ik dan, met mijn fietsje en mijn schaafwond. Net op het moment dat ik de weg naar R. gevonden had. Soms wil je de werkelijkheid gewoon en keiharde schop onder z'n kont verkopen omdat ie op dat moment gewoon echt te wreed voor je is. Dit was zo'n moment.
'Mam,' even later stond ik bibberend bij de telefoon in de hal van het tandheelkundige betonblok waar ik overdag mijn colleges en practica volgde (het was immers in het premobieltijdperk), 'Ik ging bij R. slapen en toen ben ik ondersteboven gereden. Ik heb niks, hoor. Maar ik word er zo godsgruwelijk gestoord van. Kunnen dingen nou nooit eens normaal gaan?!'
Mijn arme, bezorgde moeder praatte wat tegen mij aan, stak mij een hart onder de riem en ik wentelde mij in zelfmedelijden. Een doodzieke huisbaas, een studie die niet liep, een kutdispuut dat mij terroriseerde (een logreeks op zich) en nu was ik ook nog eens ondersteboven gereden ook nog, verdulleme! Nadat ik mijn hart had uitgestort bij mijn lieve moeder, belde ik R. op.
'Niet schrikken, maar ik was onderweg naar jou en toen ben ik geschept door een hysterisch wijf,' zei ik, 'Ik spoel even mijn schaafwond schoon en dan kom ik naar je toe. Ik ben nu op de uni, verder ben ik in orde. Ik ben alleen heel erg geschrokken.'
'Ik heb wel iets om op je wond te doen,' zei R. meteen, 'Doe rustig aan, ik zie je wel komen.'
En zo belandde ik uiteindelijk toch nog bij vriendin R. om eens een nacht goed door te kunnen slapen. Weer een drama rijker, maar wat zouden we moeten zonder drama's? Geen weblog zonder drama's, zoveel is wel weer duidelijk.
Als u kaas van deze titel kunt maken, dan feliciteer ik u. Dan wil ik u ook graag vragen, mij even te laten weten, welke kaas dat dan is. Want ik weet het niet. En met mij, weten mijn collega's het ook niet. Terwijl het woord toch echt op mijn werk opgedoken is. In een hele mooie rapportage voor een klant. Nu staan er wel vaker rare termen in rapportages naar klanten; het heeft mij zeker een jaar gekost, voordat ik een beetje wegwijs was in de technische termenwereld van dat stukje metaalindustrie, waar mijn baas zich mee bezig houdt. Maar deze is nieuw voor mij. Sterker nog, deze is voor iedereen nieuw. Dit woord is het mooie resultaat van een mislukte vertaling naar het Duits.
Vertalen, dat is een kunst op zich. Dat is echt zo makkelijk nog niet, als het vaak lijkt. Het vertalen van technische teksten is dan binnen het vertaalvak weer een compleet andere wereld. Vind maar eens een mooie manier om in het Duits of Engels te zeggen dat de oppervlakte eruit ziet als een sinaasappelhuid, zonder drie regels tekst nodig te hebben voor de uitleg...
Maar goed, meestal is het ook niet zo'n heel groot probleem, wanneer het geen perfecte vertalingen zijn. De bedoeling wordt meestal toch wel duidelijk; hetzij door drie regels uitleg, ofwel door te proberen de (letterlijke) vertaling te herleiden. 'The ship walked fast' wordt dan al gauw weer een ship dat vastliep en 'Orphan up your guard!' wordt dan weer gewoon de waarschuwing 'wees op je hoede!', om maar eens de mooie voorbeelden van Harrie Jekkers erbij te halen.
En dat ging allemaal goed, we probeerden de vreemde Duitse-maar-duidelijk-toch-niet-Duitse termen te herleiden uit de vertalingen, om ze vervolgens opnieuw te vertalen naar een Duitse-in-ieder-geval-voor-Duitsers-begrijpbare vertaling. Maar bij öldumstababauggebläse hebben we na een goede lach-workout, toch echt de moed opgegeven, om ooit nog de oorspronkelijke bedoeling te achterhalen.
Tja, öldumstababauggebläse... Misschien moeten we er eens een paar Zweden of Noren naar laten kijken, wie weet wat er dan nog allemaal uitkomt...
Het ging van kwaad tot erger met het toilet van meneer en mevrouw Van den D., je durfde amper nog mensen op bezoek te vragen, zo erg was het. Stront aan de knikker, zou je kunnen zeggen. Na een tijdje kregen mijn huisgenoten en ik het vermoeden dat het met meneer Van den D. niet zo heel erg jofel ging. Of beter gezegd, mijn huisgenoot F. en ik, want C. was door meneer Van den D. het huis uitgezet omdat ze haar vriendje naar binnen had gesmokkeld. Wat op zich geen probleem was, maar hij was stiekem blijven slapen en ja, dat was toch een brug te ver voor mijn huisbaas. Maar goed, diezelfde huisbaas werd dus steeds bedlegeriger. En hij had pijn, want het kreunen was niet van de lucht. En als hij zijn vrouw riep dan brulde hij haar naam en ramde met een stok op de grond.
'Wat is er pappie?' hoorde je haar dan zeggen, nadat ze zich aan de leuning van de trap naar boven had gehesen.
Ja, het waren fijne tijden daar in de fijne wijk B., dat begrijpt u natuurlijk ook wel.
Op een nacht was het zo erg dat ik op gegeven moment bibberend rechtop in bed zat. Een gesteun, gekerm en een gejammer steeg door de zoldervloer omhoog, u wilt het niet weten. Ik werd een beetje op en neer geslingerd tussen de filantroop en de egocentrische drol in mijzelf, want van de ene kant vond ik het hartstikke zielig en mijn aanwezigheid nogal misplaatst. Maar van de andere kant werd ik er ook echt hartstikke pissig van. Had ik weer, hoor. Een kermende huisbaas. Met een darmprobleem en bijbehorende vrijkomende gassen en dergelijke. Ik knipte de lampjes van mijn kerstboom (het was rond kerst) aan, duwde mijn cd met Wagner ouvertures in de stereo en zette deze aan. Om drie uur 's nachts. Waarom Wagner? Nou, dat is nogal overheersend en dus had ik bedacht dat als Wagner het gekerm niet kon verbloemen dat niets dat zou kunnen. Dus terwijl ik naar dat enge Pelgrimskoormelodietje uit Tannh?user lag te luisteren, bedacht ik dat het toch hoog tijd werd dat ik eens een fatsoenlijke kamer ging zoeken, want dit was drie keer niks. En dat gold voor zowel Wagner als voor het gekerm van mijn huisbaas.
En toen verdween hij opeens naar het ziekenhuis.
'Misschien gaat hij wel de pijp uit in het ziekenhuis,' sprak huisgenoot F. besmuikt, toen we een keer in de keuken stonden.
We wilden allebei niet hardop uitspreken dat dat misschien wel aangenaam zou zijn, want tja. Dat doe je natuurlijk niet. Maar de donkere wallen onder onze ogen spraken boekdelen, zogezegd. F. en ik hadden het helemaal gehad met dat gelazer. En meneer Van den D. zou duidelijk ook beter af zijn als hij zou gaan hemelen, want hij had nu ook niet bepaald de leukste maanden achter de rug. Dat was eigenlijk best wel moeilijk, zulke confronterende gedachten. Want het was ook hartstikke zielig en zeker voor mevrouw Van den D., want dat was echt zo'n lief, gekrompen omaatje en niemand wil lieve, gekrompen omaatjes zien lijden.
Maar zoals dat dan altijd gaat: krakende wielen lopen het langst. Meneer Van den D. kwam gewoon terug uit het ziekenhuis en bracht zijn gekerm weer mee. Ik, de achttien jarige dreutel, zat boven op zolder snikkend op mijn bedje. Soms zijn er grenzen aan wat een mens aan kan en ik geloof dat ik die grens toen aardig bereikt had...
De schrik van elke vent, dat ben ik. Aangenaam. Ik zou mezelf niet snel zo geclassificeerd hebben, maar het staat geschreven, en wanneer iets geschreven is, dan is het natuurlijk waar. Het staat echt zwart op wit. Of eigenlijk staat het wit op zwart, maar dat is slechts een detail. Hoe dan ook, ik ben dus blijkbaar een schrik voor elke vent en ik kan weinig anders doen, dan me er maar bij neer te leggen. Want ik kan natuurlijk wel gaan schreeuwen en tieren dat het niet waar is, maar dat gedrag lijkt me niet echt bevorderlijk voor mijn zaak.
U vraagt zich nu misschien af, waar een dergelijke uitspraak dan geschreven staat. Tot mijn spijt moet ik dan bekennen, dat het op mijn bloedeigen (of zou dat olie-eigen moeten zijn?) auto staat. En ik had het niet eens door. Ik was zo blij met mijn stalen ros, zo verblind van liefde blijkbaar, dat ik enkele 'details' over het hoofd zag. Iedere keer dus dat ik in mijn autootje rondtufte, hielp ik mijn eigen goede reputatie om zeep, om die te vervangen door de reputatie van een schrikbarende feeks, de reputatie zelfs van een helse furie.
Nu zou ik natuurlijk deze uitspraak van mijn auto kunnen verwijderen, maar tja, ergens is het toch een onderdeel van mijn auto. Van mijn eigen auto, die ik toch op een bepaalde manier ben gaan koesteren. Het is mijn eerste eigen autootje en die uitspraak, die hoort er dus maar gewoon bij; hij is een onderdeel van het geheel geworden.
Wanneer u mij dus ooit langs ziet tuffen in mijn stalen ros, neem de uitspraak dan niet al te serieus. Rekent u hem mij a.u.b. niet persoonlijk aan. Maar leest u hem vooral wel even. Op de achterkant van mijn auto, onder het nummerbord, daar is hij te vinden. Daar staat het echt:
'De schrik van elke vent; blond en intelligent.'
Zeker zo interessant als hun interieur waren ook meneer en mevrouw Van den D. zelf. Hij droeg altijd een hoed en bretels en zij noemde hem altijd 'pappie', ook als ze tegen mij over hem sprak.
'Pappie heeft zelf dat trapje naar de zolder gemaakt,' zei ze dan bijvoorbeeld.
'Zo, boh' zei ik dan, want ik word altijd ontzettend eloquent van oude mensen, zeker als ze hun echtgenoot 'pappie' gaan noemen.
Meneer Van den D. maakte altijd grapjes. Althans, ik denk dat zijn uitspraken daar voor door moesten gaan. Dan vertelde hij iets raars en vervolgens keek ik hem als een botsauto aan.
'Zo, boh,' zei ik dan maar weer.
Ik ben zo goed met oude mensen, u wilt het niet weten. Al mijn oratorische kwaliteiten komen bovendrijven zo gauw ik oog in oog sta met een oude van dagen, ja ja.
Ze zeggen wel eens 'Hoe ouder hoe gekker' en dat gold zeker voor meneer Van den D., die niet alleen van rare grapjes hield, maar soms ook echt hele vreemde acties tentoon spreidde. De woonst in B. werd naast mij namelijk nog bewoond door twee andere studentes. Ten eerste had je F., met wie ik niet meer dan een hoi-relatie had. En ten tweede had je C. die tegen de zin van mevrouw Van den D. in door meneer Van den D. in het hok van zes vierkante meter was geduwd. Meneer Van den D. hield zogezegd duidelijk niet alleen van grapjes, maar ook van centjes. Ik kende C. van de middelbare school, ze zat op het atheneum en ik op het gymnasium. C. had altijd tussenuur met mij en ik geloof dat ze samen met mij op scheikundebijles zat. Ik had haar nooit gesproken, maar C. had een nogal typische lach en dus kende ik C. als 'C., het mens met de rare lach'. Het was dan ook nogal surrealistisch om C. opeens in mijn met schrootjes betimmerde huis aan te treffen. Maar C. was een stukje Limburg en stukjes Limburg zijn altijd goed, dus stiekem was ik wel blij dat C. haar intrede had gedaan in mijn woonst.
'E.,' siste C. op een dag tegen mij, toen we in de keuken stonden de koken, 'Wat ik nou weer had!'
'Vertel, vertel,' grinnikte ik.
'Nou, die vent kwam laatst mijn kamer binnen zonder de kloppen,' C. trok haar wenkbrauwen op.
'Dat meen je niet!' ik keek haar verbaasd aan.
'En weet je wat hij zei?' C. roerde onverstoorbaar verder in haar pannetje, 'Jij studeert toch biologie? Weet je ook iets van aambeien?'
'Wat?!' echode ik.
'Ssssst,' zei C., 'En ik dus: neuh. Ik weet alleen maar dingen over dieren en plantjes. En toen vertrok hij weer.'
'Ach, het is vast weer een van zijn gekke grapjes,' zei ik schouderophalend.
'Ja, jij hebt makkelijk praten,' zei C., 'Hij komt heus niet dat gammele trapje op om jouw allemaal dubieuze vragen te stellen!'
'Ja, daar heb je dan ook wel weer gelijk in,' moest ik toegeven.
Het aambeienverhaal had mij moeten alarmeren, maar dat deed het dus niet. Want achteraf gezien hing het natuurlijk samen met het mosterdgroene toilet dat steeds vaker verstopt begon te raken. Op een dag werd ik er zelfs op aangesproken door ??n van de bezoekende kinderen van meneer en mevrouw Van den D., die het waagde om een nogal aanmatigend toontje tegen mij aan te slaan. En dat moet je tegen mij dus niet doen, een aanmatigend toontje aanslaan. Daar word ik echt bijzonder pissig van, moet u weten.
'Wil je geen maandverband in het toilet gooien?' sprak de dochter Van den D. tegen mij, vanaf superieure hoogte.
'Pardon?' zei ik, 'Waarom zou ik maandverband in het toilet gooien? Hoe komt u daarbij?'
'Nou, het toilet is verstopt,' zei dochter Van den D. tegen mij, terwijl ze me aankeek met een blik waaruit sprak dat het wel logisch was dat C., F. en ik daar schuldig aan waren.
Dat komt hoogstens omdat die vader van jou 35 keer per dag naar de pot rent, had ik willen zeggen. Maar hee, ik ben goed opgevoed dus ik zei: 'Nou, dat komt niet door mijn maandverband, hoor. Maandverband in een toilet gooien is echt uiterst onbeschoft en ook nog eens vies, ook. Dat zou ik nooit doen. Waarom zou ik willen dat het toilet van uw ouders verstopt raakt?'
Dochter Van den D. keek mij even aan, stelde blijkbaar vast dat ik te rationeel met de zaak omging en besloot om de aftocht te blazen.
Het toilet werd al snel een rode draad in huize Van den D., want omdat meneer Van den D. echt 35 keer op een dag naar de plee ging, werd de hygi?ne van het geheel er niet veel beter op.
'Ik heb schoonmaakspul op het toilet gezet,' zei F. op een dag tegen mij, 'Dan kun je de bril schoonmaken voordat je zelf gaat.'
Meer woorden waren niet nodig. Het toilet was tussen ons een beetje een 'hij die niet genoemd mag worden', omdat je als fatsoenlijke mensch nou eenmaal niet in geuren en kleuren met elkaar bespreekt wat je op een specifiek mosterdgroen jaren '70 toilet in de fijne wijk B. zoal aan kunt treffen. En dat, lieve lezer, was niet lollig. En slechts het begin van een aantal interessante maanden.
Gisteren werd ik door vriendin R. ontvangen voor een etentje. R. woon in de fijne wijk B. en aan de fijne wijk B. het ik al even zo fijne herinneringen. Nou ja, fijn. Bizar is eigenlijk het beste woord om mijn ervaring met wijk B. te beschrijven. Toen ik pakweg 9 jaar geleden werd ingeloot voor de studie tandheelkunde moest er hals over kop een kamer gezocht worden in Nijmegen. Dus stapte ik met mijn ouders in de auto en reed naar Nijmegen om me daar in te schrijven bij de studentenhuisvesting. Maar u raadt het al: de studentenhuisvesting was vol en dus moest ik om te beginnen iets anders verzinnen.
Een paar uur later zat ik met mijn ouders aan de koffie bij het echtpaar Van den D. die in een rijtjehuis in de fijne wijk B. woonden. Meneer en mevrouw Van den D. waren nogal oud en ik vond hen een beetje raar. Maar ik hield mijn mond maar, want dat deed ik nog toen ik achttien was. Mijn ouders waren duidelijk van mening dat ik een kamer nodig had en deinsden daarbij niet terug voor het verschijnsel 'hospita'. Ik voelde daar natuurlijk geen ene bal voor, maar met enig gevoel voor drama zei mijnheer mijn vader: 'Oh? Maar wat wil je dan? Elke dag op en neer reizen tussen Sittard en Nijmegen?!'
Nou, mijnheer mijn vader, als ik van tevoren geweten had wat me te wachten stond, dan had ik daar hoogstwaarschijnlijk voor geopteerd. Maar goed, omdat niemand in de toekomst kan kijken en ik toen nog niet wist dat onbestemde voorgevoelens bij mij meestal een teken zijn, was het al gebeurd. Voor dat ik het door had, was de zaak beklonken en mocht ik op de zolderkamer van het huis van het echtpaar Van den D. wonen.
Het huis van het echtpaar Van den D. was erg mooi, ahem. Overal zaten van die neppe bakstenen sierpleistermuren en waar deze niet zaten daar zaten donkerbruine schrootjes. Op de vloer lag een olijfgroenige vloerbedekking en waar die niet zat daar was een leistenen vloer of iets anders ondefinieerbaars. Ook hadden meneer en mevrouw Van den D. een klok die om het kwartier op Big Ben-achtige wijze een deuntje dreunde, erg aangenaam. In de keuken stond altijd zachtjes een keteltje op het gasfornuis te koken. Want de warmwaterkraan in de keuken deed het niet. Dus als je wilde afwassen dan moest je maar iets uit het keteltje nemen, het keteltje weer vullen en terugzetten op het vuur. Dat altijd aanstond. Bloedlink, ik zeg het u. En hoogstwaarschijnlijk al operationeel sinds midden jaren '70.
Wat ook bloedlink was, was het trapje naar de zolderkamer. Die overigens gemeubileerd was. U begrijpt uit de beschrijving van het interieur van het echtpaar Van den D. dat ik liever niet wil praten over de meubels die er in die kamer stonden. Het was vreselijk. Ik probeerde nog te redden wat er te redden viel met wat grand foulards van de Leen Bakker, wat eigen spulletjes en heul veul posters tegen het wonderschone piepschuimen plafond. Piepschuim ja ja, u leest het goed. De schrootjes waren zeker op tegen de tijd dat ze op de zolder aankwamen. En ik had ook zo'n zielig klein zolderraampje. Waar per dag maar liefst vier schattige zonnestraaltjes door naar binnen schenen. En dat lekte als het regende. Maar goed, het trapje. Dat was dus een door meneer Van den D. zelf in elkaar getimmerd geval. Want meneer Van den D., die was aannemer geweest. Huhuh. Het eerste wat mijn pa deed was een blokje tegen het zoldergat slaan, zodat het trapje niet kon verschuiven als ik mijzelf door het zoldergat naar boven hees. Ik heb zelden zo'n duidelijk geval gezien van 'Leuker kunnen we het niet maken, wel veiliger'.
Nadat mijn pa links en rechts wat electriciteitskabels had vervangen (je zag de gekleurde draadjes en dergelijke bij de schakelaars zitten) vertrokken mijn ouders terug naar Sittard, mij achterlatend in mijn nieuwe hol. Echt, ik hoop dat hun hart gebloed heeft. Minstens. Wie oh wie laat hun dochter nou achter in de jaren veertig, in een met schrootjes beslagen pand met een piepschuimen dak en waar dag en nacht een viezig keteltje op het fornuis stond te pruttelen?! De onmenschen! Maar goed, ik ben geen mietje, dus ik staarde naar mijn piepschuimen plafond, zette Sky Radio aan en vroeg me af wanneer ik voor het eerst een bad zou gaan nemen in de fijne met donkerbruine tegels beklede badkamer die bestond uit, u raadt het al, alleen een bad. Ik zou niet eens durven zeggen of er wel een douchekop was. Maar goed, dat kan ook de bedriegelijkheid van het menselijk geheugen zijn. Voor je het weet was er ook geen verwarming, kon je op heldere nachten tussen het piepschuim door naar de sterren kijken en liepen de muizen in cirkeltjes over de olijfgroene vloerbedekking en zo erg was het volgens mij nou ook weer niet.
Maar weet u? Als het bij deze ontberingen gebleven was, dan was mijn verblijf in de fijne wijk B. nog tot daar en toe geweest. Maar u vermoedt hoogstwaarschijnlijk al wat ik nu ga zeggen: Neuh, daar bleef het dus niet bij. Het verhaal wordt zelfs nogal mythisch, ja ja. Gaat u er dus maar eens goed voor zitten, want dit kan even gaan duren.
Ik heb het geheim ontdekt; ik ga echt ongelofelijk rijk worden. Echt stinkend vies rijk. Echt zo ontzettend rijk, dat Bill Gates een arme sloeber lijkt. En dat allemaal, door 7 centen. Sterker nog, door een
verlies van 7 centen. Het zijn de kleine dingen die het doen, dat blijkt dan maar weer.
Ooit kocht ik namelijk online een cd. Maar die cd, die heb ik nooit gekregen. De verkoper wel. Hij kreeg het pakje dat hij had verzonden netjes terug van de postbode. Of eigenlijk niet zo netjes, want de cd die erin zat, die was niet meer; een cd-speler doet namelijk nogal moeilijk over het afspelen van een cd die in tig stukken gebroken is. Helaas pindakaas, geen cd voor Virginie, maar ach, dat is nou niet bepaald het einde van de wereld. De verkoper had me immers netjes op de hoogte gebracht en het bedrag dat ik hem betaald had, netjes teruggestort. De zaak was afgehandeld en vergeten.
Althans, hij was vergeten totdat ik ineens een afrekening kreeg, waarop 7 cent van mijn rekening werd afgeschreven. Ik stond werkelijk even voor een raadsel. 7 cent? Wat zou ik in hemelsnaam gekocht moeten hebben voor 7 cent? En waar dan? Tot ik ging pluizen. Het was niet zomaar een afschrijving van 7 cent. Die 7 cent had te maken met de transactie met de gebroken-cd-meneer. Die 7 cent, verloor ik namelijk op de wisselkoers. Ik had de gebroken-cd-meneer namelijk betaald in Engelse ponden, en de gebroken-cd-meneer had enkele dagen later netjes dat bedrag in Engelse ponden weer teruggestort. In die paar dagen, was echter natuurlijk de wisselkoers veranderd en zie daar; ik leed een verlies van 7 cent. Dat zijn 7 centen die dus in het luchtledige vedwenen zijn (oftewel; in het bezit van de bank zijn).
Maar toen ging het dagen. Als ik op deze manier verlies kan lijden, dan kan ik ook op deze manier winst maken. Het enige wat ik nodig heb, is een paar handlangers in het buitenland met een bankrekening. Want 7 cent lijkt misschien niet zo heel veel, maar het was ook maar een bedrag van twee-en-een-halve pond. Dan is 7 cent percentueel een heel interessante hoeveelheid. Dus als ik 1000 pond overmaak naar een Engelse handlanger, en hij die 1000 pond terugstort op een dag dat de wisselkoers lager ligt, dan maak ik winst, terwijl mijn handlanger geen verlies lijdt. En dat allemaal compleet legaal!
Het is geen rijkdom van de ene op de andere dag, maar het kan wel werken. Het is dus alleen een kwestie van startkapitaal, handlangers en geduld. Als u me nu dus even excuseert; ik ga maar eens op zoek naar internationale vrienden...
Het deurtje is van de wasmachine afgevallen!
Aderyn, huisgenoot B. en ik staan voor een uitdaging: het deurtje is van onze goed functionerende wasmachine afgevallen. Net nadat ik drie wasjes had gedraaid, dat dan weer wel. Aan ons nu de schone taak om een deurtje zonder wasmachine eraan te vinden. Want deurtjes met wasmachines eraan heb je genoeg, maar die zijn natuurlijk iets duurder dan een los deurtje en ook iets moeilijker twee steile trappen op te tillen...
Ik het echt godvergeten hard mijn been gestoten tegen de rand van de douchebak!
Vanochtend stootte ik mijn been tegen de rand van de douchebak. Ik riep de hele kersstal erbij, gebruikte Gods naam oneerbiedig en smeet nog eens met wat geslachtsdelen in de rondte. Binnensmonds natuurlijk, want ik wilde huisgenoot B. niet wakker maken met mijn verwensingen. Nu heb ik een blauw ei aan mijn been en 't is verdulleme nog niet eens Pasen!
Op deze website staat al een tijdje een oproep voor een broederlog dat er maar niet komt!
Lieve toekomstige broeder, is het je opzet om Virg en mij openlijk voor aap te zetten? Of heb je waarlijk geen tijd om een fijn broederlog in elkaar te zetten? Ik wacht er in ieder geval met smart op, want er valt al zo weinig te lachen op het net met al die serieuze menschen die overal zo serieus op ingaan. En daarom dacht ik dat jij wel iets bij zou kunnen dragen aan de webjolijt en de levensvreugd in het algemeen.
Ik ben in een strijd verwisseld met een Duitsch artikel waar ik geen ene zak van begrijp!
Ik ben al dagen in een hevige strijd verwikkeld met een interessant wetenschappelijk artikel over de ontwikkeling van de positie van de auteur door de eeuwen heen. Althans, ik denk dat het interessant is. Want als het namelijk geen 150 pagina's lang zou zijn, niet in het Duits op schrift gesteld zou zijn en het abstractieniveau ook voor mij begrijpelijk zou zijn geweest dan had ik tenminste een idee gehad waar het artikel over ging. Maar je maintiendrai, potdulleme ouwhoer! Luctor et emergo. Wie is er nu de reserve-Duitser? U of ik?
Ik heb geen inspiratie voor een logje over mijn hilaaaarische teamdag in Amsterdam vorige week!
'Komt er nog een stukje?' vragen mijn collega's mij.
'Ehm ja, dat is wel de bedoeling,' verzucht ik, terwijl ik heul zielig kijk en een begeleidend pruillipje te voorschijn tover, 'maar het zit er gewoon even niet in. De teamdag was ehm ja... onbeschrijfelijk!'
Maar u houdt hem te goed! Het kan namelijk zomaar dat ik op 19 januari 2009 opeens een briljante inval krijg, dus zet die datum maar alvast in uw agenda.
Vaak komen de meest heldere inzichten op de vreemdste momenten. Zo kreeg ik dit weekend ineens deze gedachteflits, die ik jullie niet wil onthouden. Vooral niet als jullie je geroepen voelen om oplossingen voor onderstaand probleem aan te dragen.
Men zegt namelijk, dat de liefde van de man door de maag gaat. Dat is heel mooi, want in dat geval zit ik gebakken (pun intended), zodra een mogelijke toekomstige man van mijn kookkunsten geniet. Maar hoe krijg ik die mogelijke toekomstige man eerst aan mijn tafel?
Dat is natuurlijk de echte hamvraag...
|
|